Rechters 1
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Freedom Bible (フリーダム・バイブル)
1Na Josuë’s dood raadpleegden de Israëlieten Jahweh en vroegen: Wie van ons zal het eerst tegen de Kanaänieten ten strijde trekken?
1ヨシュアの死後、イスラエルの人々は主 に尋ねた。「カナン人と戦うため、私たちのうちだれが最初に上るべきでしょうか。」
2Jahweh sprak: Juda zal optrekken; zie, Ik lever hem het land over.
2主は言われた。「ユダが上れ。見よ、 わたしはその地をユダの手に渡した。」
3Daarom sprak Juda tot zijn broeder Simeon: Trek met mij op naar mijn erfdeel, en laat ons samen tegen de Kanaänieten strijden; dan zal ook ik met u naar uw erfdeel gaan. En Simeon trok met hem mee.
3ユダは兄弟シメオンに言った。「私とともに、くじで私に割り当てられた地へ上り、カナン人と戦ってほしい。私も、くじであなたに割り当てられた地へともに行こう。」そこでシメオンは彼とともに行った。
4Toen Juda dan uitrukte, leverde Jahweh de Kanaänieten en Perizzieten in hun handen, zodat ze er te Bézek tien duizend versloegen.
4ユダは上って行った。主はカナン人とペリジ人を彼らの手に渡された。彼らはベゼクで一万人を打ち倒した。
5Want in Bézek stietten ze op Adoni-Bézek, bonden de strijd met hem aan, en versloegen de Kanaänieten en Perizzieten.
5彼らはベゼクでアドニ・ベゼクを見つけ、彼と戦い、カナン人とペリジ人を打ち倒した。
6Adoni-Bézek nam de vlucht; maar ze gingen hem achterna, namen hem gevangen, en kapten hem zijn duimen en grote tenen af.
6アドニ・ベゼクは逃げたが、彼らはその後を追って彼を捕らえ、その手の親指と足の親指を切り落とした。
7En Adoni-Bézek zeide: Zeventig koningen met afgehouwen duimen en grote tenen raapten de afval van mijn tafel bijeen; naar mijn werken heeft God me vergolden. Men bracht hem naar Jerusalem, waar hij stierf.
7アドニ・ベゼクは言った。「手の親指と足の親指を切り落とされた七十人の王が、私の食卓の下で食べ物を拾っていた。私がしたとおりに、神 は私に報いられた。」人々は彼をエルサレムに連れて行き、彼はそこで死んだ。
8De mannen van Juda belegerden Jerusalem en namen het in, waarna ze de stad met het zwaard uitmoordden en in brand staken.
8ユダの子らはエルサレムと戦ってこれを攻め取り、剣の刃でそれを打ち、町に火を放った。
9Daarna zakten de Judeërs af, om de Kanaänieten te bestrijden, die in het bergland, de Négeb en de Sjefela verblijf hielden.
9その後、ユダの子らは山地、南の地、および低地に住むカナン人と戦うために下って行った。
10Zo trok Juda tegen de Kanaänieten op, die te Hebron woonden; Hebron werd vroeger Kirjat-Arba genoemd. En hij versloeg Sjesjai, Achiman en Talmai.
10ユダはヘブロンに住むカナン人に向かって行った。(なお、ヘブロンの以前の名はキルヤテ・アルバであった。)そして彼らはシェシャイ、アヒマン、タルマイを打ち倒した。
11Vandaar trok hij op tegen de bevolking van Debir; Debir werd vroeger Kirjat-Séfer genoemd.
11そこから彼はデビルの住民に向かって行った。(なお、デビルの以前の名はキルヤテ・セフェルであった。)
12Toen zei Kaleb: Wie Kirjat-Séfer aanvalt en inneemt, geef ik mijn dochter Aksa tot vrouw.
12カレブは言った。「キルヤテ・セフェルを打ってこれを攻め取る者には、私の娘アクサを妻として与えよう。」
13Otniël, de zoon van Kenaz, de jongere broer van Kaleb, nam het in; en deze gaf hem dus zijn dochter Aksa tot vrouw.
13カレブの弟であるケナズの子オトニエルがそれを攻め取ったので、カレブは彼に娘アクサを妻として与えた。
14Maar toen zij aankwam, spoorde hij haar aan, haar vader akkerland te vragen. Ze boog zich dus van den ezel neer, zodat Kaleb haar vroeg: Wat is er?
14彼女が彼のもとに来たとき、彼女は父に畑を求めるよう彼に促した。彼女がろばから降りると、カレブは彼女に言った。「何が欲しいのか。」
15Ze zeide hem: Schenk me een gift; nu ge mij eenmaal voor de Négeb bestemd hebt, moet ge me ook waterbronnen geven. En Kaleb gaf haar bronnen in het hoogland en laagland.
15彼女は言った。「どうか私を祝福してください。あなたは私を南の地に嫁がせたのですから、水の泉も与えてください。」そこでカレブは、上の泉と下の泉を彼女に与えた。
16Tezamen met de Judeërs trokken ook de nakomelingen van Chobab, den Keniet, Moses schoonvader, uit de Palmenstad naar de woestijn van Juda, waar men afdaalt naar Arad, en vestigden zich bij de Amalekieten.
16モーセの義理の兄弟であるケニ人の子らは、ユダの子らと一緒に、なつめやしの町からアラドの南にあるユダの荒野に上って行った。そして彼らは行って、その民とともに住んだ。
17Daarna trok Juda met zijn broeder Simeon op, en zij versloegen de Kanaänieten, die te Sefat woonden; ze troffen de stad met de banvloek, en men noemde ze Chorma.
17ユダは兄弟のシメオンと一緒に行き、ゼファテに住むカナン人を打ち倒し、そこを完全に滅ぼした。その町の名はホルマと呼ばれた。
18Maar Juda kwam niet in het bezit van Gaza, Asjkelon en Ekron met bijbehorend gebied.
18またユダは、その領域とともにガザを、その領域とともにアシュケロンを、その領域とともにエクロンを攻め取った。
19Juda maakte zich wel van het bergland meester, omdat Jahweh met hem was, maar de bewoners der vlakte konden ze niet verdrijven, want die hadden ijzeren wagens.
19主はユダとともにおられ、ユダは山地の住民を追い出した。しかし谷の住民は鉄の戦車を持っていたので、追い出すことができなかった。
20Zoals Moses bepaald had, gaf men Hebron aan Kaleb, die er de drie Anaks-kinderen uit verdreef.
20モーセが語っていたとおりに、人々はカレブにヘブロンを与えた。彼はそこからアナクの三人の息子を追い出した。
21Ook de Benjamieten verdreven de Jeboesieten niet, die Jerusalem bevolkten, zodat de Jeboesieten er met de Benjamieten samenwonen tot op de huidige dag.
21ベニヤミンの子らはエルサレムに住んでいたエブス人を追い出さなかった。そのため、エブス人は今日に至るまでエルサレムでベニヤミンの子らとともに住んでいる。
22Het huis van Josef trok op, en wel naar Betel; en Jahweh was met hen.
22ヨセフの家もまた、ベテルに向かって上って行った。主は彼らとともにおられた。
23Toen nu het huis van Josef Betel, dat vroeger Loez heette, liet bespieden,
23ヨセフの家はベテルを偵察させた。(なお、その町の以前の名はルズであった。)
24zagen de spionnen een man uit de stad komen. Ze zeiden hem: Wijs ons, hoe we in de stad kunnen komen; dan zullen we u sparen.
24見張り人たちは、一人の男が町から出て来るのを見て、彼に言った。「どうか、町の入り口を私たちに教えてほしい。そうすれば、私たちはあなたに親切にしよう。」
25En hij wees hun, waar ze de stad moesten binnengaan. Daarop joegen ze de stad over de kling, maar dien man en zijn hele familie lieten ze gaan.
25彼が町の入り口を教えたので、彼らは剣の刃で町を打ち倒したが、その男と彼のすべての家族は逃がした。
26De man vertrok naar het land der Chittieten, en bouwde er een stad, die hij Loez noemde, zoals ze nu nog heet.
26その男はヘト人の地に行き、町を建ててその名をルズと呼んだ。それが今日に至るまでその名である。
27Maar ook Manasse veroverde Bet-Sjean en Taänak met hun dorpen niet, en verdreef evenmin de bewoners van Dor, Jibleam, Megiddo en hun dorpen, zodat de Kanaänieten zich handhaafden in deze streek.
27マナセは、ベテ・シェアンとその周辺の町々、タアナクとその周辺の町々、ドルとその周辺の町々、イブレアムとその周辺の町々、メギドとその周辺の町々の住民を追い出さなかった。カナン人はその地に住み続けた。
28Toen Israël machtiger geworden was, heeft het de Kanaänieten wel dienstbaar gemaakt, maar uitgedreven heeft het ze niet.
28イスラエルが強くなったとき、彼らはカナン人を強制労働に就かせたが、彼らを完全に追い出すことはしなかった。
29Ook Efraïm verjoeg de kanaänietische bevolking van Gézer niet; vandaar dat de Kanaänieten midden onder hen bleven wonen.
29エフライムはゲゼルに住んでいたカナン人を追い出さなかった。そのため、カナン人はゲゼルで彼らの間に住んだ。
30Ook Zabulon verdreef noch de bewoners van Kitron, noch die van Nahalol; de Kanaänieten leefden dus te midden van de Zabulonieten, maar waren dienstplichtig.
30ゼブルンはキトロンの住民もナハラルの住民も追い出さなかった。そのため、カナン人は彼らの間に住み、強制労働に服するようになった。
31Aser verjoeg de inwoners van Akko, Sidon, Achlab, Akzib, Chelba, Afek en Rechob niet,
31アシェルはアッコの住民、シドンの住民、アフラブ、アクジブ、ヘルバ、アフィク、およびレホブの住民を追い出さなかった。
32zodat de Aserieten midden tussen de Kanaänieten, de landsbevolking, woonden; want verdrijven konden ze die niet.
32アシェル人はその地の住民であるカナン人を追い出さず、彼らの間に住んだ。
33Neftali verjoeg de bevolking van Bet-Sjémesj en die van Bet-Anat niet, maar leefde te midden der Kanaänieten, die in deze streek woonden; de bevolking van Bet-Sjémesj en Bet-Anat was hun echter dienstbaar.
33ナフタリはベテ・シェメシュの住民もベテ・アナテの住民も追い出さず、その地の住民であるカナン人の間に住んだ。それでも、ベテ・シェメシュとベテ・アナテの住民は彼らのために強制労働に服するようになった。
34De Amorieten drongen de Danieten het bergland in en zorgden ervoor, dat ze niet naar beneden kwamen in de vlakte.
34アモリ人はダンの子らを山地に押し込め、谷へ下りることを許さなかった。
35Vandaar dat de Amorieten zich handhaafden te Har-Chéres, Ajjalon, en Sjaälbim; maar het huis van Josef kreeg de overhand over hen, zodat ze dienstplichtig werden.
35アモリ人はヘレス山、アヤロン、シャアルビムに住み続けた。しかしヨセフの家の勢力が強くなると、彼らは強制労働に服した。
36Het gebied der Edomieten strekte zich uit van het hoge Akrabbim, vanaf Séla en nog verder.
36アモリ人の境界は、アクラビムの坂、すなわち岩から上であった。
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.