Ezechiel
Chapter 1
Petrus Canisius Bible, 1…
vs Freedom Bible (フリー…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Freedom Bible (フリーダム・バイブル)
1In het dertigste jaar, op de vijfde van de vierde maand, terwijl ik mij onder de ballingen aan de Kebar-rivier bevond, ging de hemel open en schouwde ik goddelijke visioenen.
1第三十年、第四の月の五日、私がケバル川のほとりで捕囚の民の中にいた時、天が開かれ、私は神 の幻を見た。
2Op de vijfde der maand, het was het vijfde jaar van koning Jojakims verbanning,
2その月の五日、エホヤキン王が捕囚となって第五年に、
3werd het woord van Jahweh gericht tot Ezekiël, den zoon van den priester Boezi, in het land der Chaldeën aan de Kebar-rivier. Daar raakte de hand van Jahweh mij aan;
3カルデア人の地、ケバル川のほとりで、主 の言葉がブジの子である祭司エゼキエルに臨み、そこで主の御手が彼の上にあった。
4en toen ik opkeek, zag ik een stormwind uit het noorden opkomen: een dikke wolk met flikkerend vuur; er lag een glans om heen, en midden in het vuur blonk een glanzend metaal.
4私が見ると、見よ、北から激しい風が吹いて来た。大きな雲があり、火がひらめき、その周囲には輝きがあった。火の中心からは、輝く金属のようなものが見えた。
5Daaruit tekenden zich af de vormen van vier wezens, die er aldus uitzagen: Ze hadden een menselijke gestalte;
5その中心から、四つの生き物に似たものが現れた。その姿は人に似ていた。
6ieder van hen had vier gezichten en vier vleugels;
6それぞれに四つの顔があり、それぞれに四つの翼があった。
7hun benen waren recht, hun voeten hadden de vorm van een kalfshoef, en blonken als de glans van glimmend koper;
7足はまっすぐで、足の裏は子牛のひづめの裏のようであり、磨かれた青銅のように輝いていた。
8en aan hun vier zijden hadden ze mensenhanden onder hun vleugels. De gezichten van het viertal
8四方の翼の下には、人の手があった。四つの生き物の顔と翼は、次のようであった。
9wendden zich niet, als ze zich voortbewogen: ieder ging recht voor zich uit.
9翼は互いに触れ合っていた。進む時には向きを変えず、それぞれまっすぐ前へ進んだ。
10Hun gezichten hadden deze vorm: Een mensengezicht aan de buitenkant, een leeuwenkop aan de rechterzijde van het viertal, een stierenkop aan de linkerzijde van het viertal, en bij alle vier een adelaarskop aan de binnenkant.
10顔の形は、四つとも人の顔を持ち、右側には獅子の顔、左側には牛の顔があり、また四つとも鷲の顔を持っていた。
11Hun vleugels waren naar boven uitgespreid; ieder had er twee die elkander raakten, en twee die hun lijven bedekten.
11その顔はこのようであった。翼は上方に広げられ、それぞれ二つの翼が隣の生き物の翼に触れ、残りの二つで体を覆っていた。
12Ieder ging recht voor zich uit: ze gingen waarheen de geest hen dreef, zonder zich bij die beweging te keren.
12それぞれまっすぐ前へ進んだ。霊が行こうとする所へ彼らも行き、進む時に向きを変えなかった。
13Tussen de wezens was iets, dat op brandende kolen vuur, op fakkels leek, en dat tussen de wezens heen en weer schoot. Het vuur blonk, en van het vuur schoot een bliksemstraal uit;
13生き物の姿は、燃える炭火のようであり、たいまつのように見えた。火が生き物の間を行き巡り、火は明るく、その火から稲妻が出ていた。
14en de wezens gingen heen en weer als de bliksem.
14生き物は、稲妻がひらめくように行き来した。
15Ik beschouwde de wezens, en zie: naast elk der vier wezens stond er op de grond een wiel.
15私が生き物を見ていると、見よ、四つの生き物のそれぞれのそばに、地の上に一つずつ車輪があった。
16De wielen en hun onderdelen blonken als de glans van chrysoliet. Ze hadden alle vier dezelfde vorm, en ze leken zó en waren zó gemaakt, als stond er een wiel in het wiel.
16車輪の外観と作りは緑柱石のように輝き、四つとも同じ形をしていた。その外観と作りは、一つの車輪の中に別の車輪があるようであった。
17Als ze zich voortbewogen, konden ze zich naar hun vier zijden bewegen, zonder zich bij die beweging te keren.
17進む時には四方のどの方向にも進み、進む時に向きを変えなかった。
18Ik zag toe en bemerkte, dat ze velgen hadden, en dat de velgen bij alle vier aan alle kanten met ogen waren bezet.
18車輪の縁は高く、恐ろしいほどであり、四つの車輪の縁には周囲一面に目があった。
19Als de wezens zich voortbewogen, draaiden de wielen met hen mee, en als de wezens zich van de grond verhieven, werden ook de wielen opgelicht;
19生き物が進むと、車輪もそのそばを進んだ。生き物が地から上がると、車輪も上 霊ががった。
20als ze gingen waarheen de geest hen dreef, werden de wielen tegelijk met hen opgelicht; want de geest der wezens beheerste de wielen.
20行こうとする所へ、生き物も進んだ。霊がそこへ行こうとしたからである。車輪も彼らとともに上がった。生き物の霊が車輪の中にあったからである。
21Wanneer de wezens zich bewogen, dan gingen ook de wielen mee; stonden de wezens stil, dan bleven ook de wielen staan; en als de wezens zich van de grond verhieven, werden ook de wielen tegelijk met hen opgelicht; want de geest der wezens beheerste de wielen.
21生き物が進むと車輪も進み、生き物が止まると車輪も止まった。生き物が地から上がると、車輪も彼らとともに上がった。生き物の霊が車輪の中にあったからである。
22Boven de hoofden der wezens was als het ware een gewelf, dat blonk als verblindend kristal, en dat boven hun hoofden was uitgespannen;
22生き物の頭上には、恐ろしいほどに輝く水晶のような大空があり、その頭上高く広がっていた。
23onder het gewelf waren hun vleugels recht met elkander verbonden, en elk had er nog twee, om hun lijven te bedekken.
23大空の下で、彼らは翼を互いに向けてまっすぐ伸ばしていた。それぞれ二つの翼で体の一方を覆い、二つの翼で体の他方を覆っていた。
24Als ze zich bewogen, hoorde ik het geklapper van hun vleugels als het ruisen van vele wateren, als de stem van den Almachtige, en als het gedreun van een leger; als ze stilstonden, lieten ze hun vleugels neer.
24彼らが進む時、私はその翼の音を聞いた。それは大水のとどろきのようであり、全能者の声のようであり、軍勢の音のような激しい響きであった。彼らは止まる時、翼を垂れた。
25En er klonk een stem van boven het gewelf, dat op hun hoofden rustte.
25彼らの頭上の大空のさらに上から声がした。彼らは止まる時、翼を垂れた。
26Boven het gewelf, dat op hun hoofden rustte, was iets dat er uitzag als saffiersteen: het had de vorm van een troon. En boven wat op een troon geleek, bevond zich een gestalte, die er uitzag als een mens.
26その頭上の大空の上には、サファイア のように見える王座に似たものがあった。その王座に似たものの上には、人の姿に似た方が座しておられた。
27Boven hetgeen op zijn heupen geleek zag ik het blinken als glanzend metaal, als vuur waar een scherm omheen staat; en onder hetgeen op zijn heupen geleek zag ik iets, dat met vuur overeenkwam. Er hing een glans omheen;
27私が見ると、その腰のように見える所から上は、火に包まれた輝く金属のようであり、腰のように見える所から下は火のようであった。また、その方の周囲には輝きがあった。
28en die glans daaromheen geleek op de boog, die op een regendag in de wolken staat. Zo zag ik de gedaante van Jahweh’s heerlijkheid. En toen ik ze zag, viel ik plat ter aarde, en hoorde ik de stem van iemand die sprak.
28その周囲の輝きは、雨の日に雲の中に現れる虹のようであった。 これが主の栄光に似たものの姿であった。私はそれを見ると、ひれ伏した。そして、語る方の声を聞いた。

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.