Ezechiel
Chapter 20
Petrus Canisius Bible, 1…
vs Freedom Bible (フリー…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Freedom Bible (フリーダム・バイブル)
1In het zevende jaar, op de tiende van de vijfde maand, kwamen enigen van Israëls oudsten Jahweh raadplegen. En toen zij voor mij zaten,
1第七年の第五の月、その月の十日、イスラエルの長老たちの何人かが主に尋ねるために来て、私の前に座った。
2werd het woord van Jahweh tot mij gericht:
2主の言葉が私に臨んだ。
3Mensenzoon, spreek Israëls oudsten toe, en zeg hun: Zo spreekt Jahweh, de Heer! Komt ge Mij soms raadplegen? Zo waar Ik leef, Ik laat Mij door u niet raadplegen, zegt Jahweh, de Heer.
3「人の子よ、イスラエルの長老たちに語り、彼らに言え。『主なる神はこう言われる。「あなたがたは、わたしに尋ねるために来たのか。わたしは生きている」と主なる神は言われる。「わたしはあなたがたの問いに答えない。」』
4Mensenkind, wilt ge hen vonnissen, wilt ge hen vonnissen? Wijs hen dan op de gruwelen van hun vaderen, en zeg hun: Zo spreekt Jahweh, de Heer!
4人の子よ、あなたは彼らを裁くのか。彼らを裁くのか。彼らの先祖たちの忌むべき行いを思い知らせよ。
5Toen Ik Israël uitverkoos, heb Ik mijn hand opgestoken voor de kinderen van Jakobs stam; Ik heb Mij aan hen geopenbaard in het land van Egypte, en mijn hand voor hen opgestoken met de woorden: Ik ben Jahweh, uw God!
5彼らに言え。『主なる神はこう言われる。「わたしがイスラエルを選び、ヤコブの家の子孫に誓い、エジプトの地で彼らに自分を知らせた日、わたしは彼らに誓って、『わたしは主、あなたがたの神である』と言った。
6In die tijd heb Ik hun met opgestoken hand beloofd, om ze uit Egypte te leiden naar een uitgezocht land, dat droop van melk en honing: de parel van alle landen.
6その日、わたしは彼らをエジプトの地から導き出し、彼らのために探し出しておいた地、すなわち、乳と蜜の流れる、あらゆる地の誉れである地へ導き入れると誓った。
7En Ik sprak tot hen: Laat een ieder zijn ogen van de gruwelbeelden afhouden, en niemand verontreinige zich aan de schandgoden van Egypte; Ik, Jahweh, ben uw God!
7わたしは彼らに言った。『それぞれ、自分の目が慕う忌むべきものを投げ捨てよ。エジプトの偶像で自分を汚してはならない。わたしは主、あなたがたの神である。』
8Maar ze verzetten zich tegen Mij, en wilden niet naar Mij luisteren: niemand hield zijn ogen van de gruwelbeelden af, en ze lieten de schandgoden van Egypte niet varen. Daarom wilde Ik mijn toorn over hen uitstorten, mijn woede op hen koelen midden in het land van Egypte.
8しかし、彼らはわたしに反逆し、わたしの言うことを聞こうとしなかった。だれも、自分の目が慕う忌むべきものを投げ捨てず、エジプトの偶像を捨てなかった。そこでわたしは、エジプトの地のただ中で彼らの上に憤りを注ぎ、彼らに対する怒りを全うすると言った。
9Maar Ik deed het niet terwille van mijn Naam, opdat die niet ontwijd zou worden in de ogen van de volken, in wier midden zij woonden, in wier bijzijn Ik Mij aan hen geopenbaard had, om ze uit Egypte te leiden.
9しかし、わたしは自分の名のために行動し、その名が、彼らの住んでいた諸国の民の目の前で汚されないようにした。わたしはその民の目の前で、彼らをエジプトの地から導き出すことによって、自分を彼らに知らせたからである。
10Dus leidde Ik hen uit Egypte, en bracht hen in de woestijn.
10こうして、わたしは彼らをエジプトの地から出し、荒野へ導いた。
11Ik gaf hun mijn wetten en openbaarde hun mijn geboden, die de mens moet onderhouden, om te blijven leven.
11わたしは彼らにわたしの掟を与え、わたしの定めを示した。人はそれらを行うなら、それによって生きる。
12Ook gaf Ik hun mijn sabbatten: het teken tussen Mij en hen, waaraan zij zouden erkennen, dat Ik, Jahweh, het ben, die hen heilig maak.
12また、わたしと彼らとの間のしるしとして、わたしの安息日をも彼らに与えた。それは、彼らを聖別する者が主であるわたしだと、彼らが知るためであった。
13Maar het huis van Israël verzette zich tegen Mij in de woestijn; naar mijn wetten leefden ze niet; ze verachtten mijn geboden, die de mens moet onderhouden om te blijven leven, en mijn sabbatten hebben ze schromelijk ontwijd. Daarom wilde Ik in de woestijn mijn toorn over hen uitstorten, en ze verdelgen.
13しかし、イスラエルの家は荒野でわたしに反逆した。彼らはわたしの掟に従って歩まず、わたしの定めを退けた。人はそれらを守るなら、それによって生きる。それなのに、彼らはわたしの安息日を甚だしく汚した。そこでわたしは、荒野で彼らの上に憤りを注ぎ、彼らを滅ぼすと言った。
14Maar Ik deed het niet terwille van mijn Naam, opdat die niet ontwijd zou worden in de ogen van de volken, in wier bijzijn Ik hen had weggeleid.
14しかし、わたしは自分の名のために行動し、その名が、わたしが彼らを導き出したのを見ていた諸国の民の目の前で汚されないようにした。
15Wel stak Ik in de woestijn mijn hand tegen hen op, dat Ik ze niet zou brengen in het land, dat Ik hun had toegedacht: dat druipt van melk en honing, de parel van alle landen;
15また、わたしは荒野で彼らに誓い、わたしが彼らに与えた地、すなわち、乳と蜜の流れる、あらゆる地の誉れである地へ彼らを導き入れないと言った。
16omdat ze mijn geboden verachtten, naar mijn wetten niet leefden, mijn sabbatten ontwijdden, en hun hart aan hun schandgoden gehecht was.
16それは、彼らがわたしの定めを退け、わたしの掟に従って歩まず、わたしの安息日を汚したからである。彼らの心は偶像を追い求めた。
17Maar Ik zag er van af, hen te verdelgen; en zo heb Ik ze niet afgemaakt in de woestijn.
17それでも、わたしの目は彼らを惜しみ、彼らを滅ぼさなかった。荒野で彼らを全滅させることはしなかった。
18Daarna sprak Ik in de woestijn tot hun kinderen: Naar de wijze van uw ouders moogt ge niet leven, aan hun gewoonten niet vasthouden, en aan hun schandgoden u niet verontreinigen.
18わたしは荒野で彼らの子どもたちに言った。『先祖たちの掟に従って歩んではならない。彼らの定めを守ってはならず、彼らの偶像によって自分を汚してはならない。
19Ik, Jahweh, ben uw God; leeft volgens mijn wetten, onderhoudt nauwkeurig mijn geboden,
19わたしは主、あなたがたの神である。わたしの掟に従って歩み、わたしの定めを守り、それを行え。
20houdt mijn sabbatten heilig, opdat ze een teken zijn tussen u en Mij, waaraan gij erkent, dat Ik, Jahweh, uw God ben.
20わたしの安息日を聖なるものとせよ。それは、わたしとあなたがたとの間のしるしとなり、わたしが主、あなたがたの神であることを、あなたがたが知るためである。』
21Maar ook de kinderen verzetten zich tegen Mij: ze leefden niet naar mijn wetten, ze hebben mijn geboden veracht, die de mens moet onderhouden om te blijven leven, en mijn sabbatten hebben ze ontwijd. Daarom wilde Ik mijn toorn over hen uitstorten, in de woestijn mijn woede op hen koelen.
21しかし、その子どもたちもわたしに反逆した。彼らはわたしの掟に従って歩まず、わたしの定めを守り行わなかった。人はそれらを行うなら、それによって生きる。それなのに、彼らはわたしの安息日を汚した。そこでわたしは、荒野で彼らの上に憤りを注ぎ、彼らに対する怒りを全うすると言った。
22Maar Ik trok mijn hand terug, en deed het niet terwille van mijn Naam, opdat die niet ontwijd zou worden in de ogen der volken, in wier bijzijn Ik hen uitgeleid had.
22それでも、わたしは手を引き、自分の名のために行動した。その名が、わたしが彼らを導き出したのを見ていた諸国の民の目の前で汚されないようにするためであった。
23Wel stak Ik in de woestijn mijn hand tegen hen op, om ze onder de volken te verstrooien en ze over de landen te verspreiden;
23また、わたしは荒野で彼らに誓い、彼らを諸国の間に散らし、国々の中に追い散らすと言った。
24omdat zij mijn geboden niet opvolgden, mijn wetten verachtten, mijn sabbatten ontwijdden, en hun ogen aan de schandgoden van hun ouders bleven gehecht.
24それは、彼らがわたしの定めを行わず、わたしの掟を退け、わたしの安息日を汚し、その目が先祖たちの偶像を追い求めたからである。
25Ook gaf Ik hun wetten, die niet goed waren, geboden waarbij ze niet leven konden:
25また、わたしは彼らに良くない掟と、それによって生きることのできない定めを与えた。
26door hun geschenken, door hun overgave van al wat de moederschoot opent, heb Ik hen verontreinigd, opdat ze zelf versteld zouden staan en erkennen, dat Ik Jahweh ben.
26彼らが初めに胎を開く子をすべて火の中に通らせたので、わたしは彼らの供え物によって彼らを汚れた者とした。それは彼らを荒れ果てさせ、わたしが主であることを彼らに知らせるためであった。」』
27Spreek daarom, mensenkind, tot het huis van Israël en zeg: Zo spreekt Jahweh, de Heer! Ook in een ander opzicht hebben uw vaderen Mij gehoond door hun trouweloze afval.
27それゆえ、人の子よ、イスラエルの家に語り、彼らに言え。『主なる神はこう言われる。「さらに、あなたがたの先祖はこのことにおいても、わたしに背いて冒瀆した。
28Want toen Ik hen naar het land had geleid, dat Ik hun met opgestoken hand beloofd had te geven, en ze al de hoge heuvels zagen en al de schaduwrijke bomen, slachtten ze daar hun offers, brachten daar hun ergerlijke geschenken, ontstaken daar hun welriekend offervuur, en plengden daar hun drankoffers.
28わたしが与えると誓った地へ彼らを導き入れたとき、彼らはすべての高い丘と、葉の茂ったすべての木を見て、そこでいけにえをささげ、わたしを怒らせる供え物をささげた。そこで芳しい香りをたき、注ぎのささげ物を注いだ。
29En Ik sprak tot hen: Wat moet die hoogte, waar gij heen gaat? Daarom heet die nu nog “bama”.
29そこで、わたしは彼らに、『あなたがたが行くその高き所は何なのか』と言った。それゆえ、その名は今日までバマ と呼ばれている。」』
30Zeg daarom tot het huis van Israël: Zo spreekt Jahweh, de Heer! Verontreinigt gij u soms niet op dezelfde manier als uw vaderen; loopt ook gij hun gruwelbeelden niet achterna; hebt ge u niet aan al uw schandgoden tot de dag van heden verontreinigd,
30それゆえ、イスラエルの家に言え。『主なる神はこう言われる。「あなたがたは先祖たちの道にならって自分を汚すのか。彼らの忌むべきものを慕って淫行を行うのか。
31door uw gaven te brengen en uw kinderen door het vuur te doen gaan? En zou Ik mij dan door u laten raadplegen, huis van Israël? Zowaar Ik leef, zegt Jahweh de Heer, Ik laat Mij door u niet raadplegen!
31あなたがたは供え物をささげ、息子たちを火の中に通らせるとき、今日に至るまで、すべての偶像によって自分を汚している。イスラエルの家よ、わたしがあなたがたの問いに答えるべきだろうか。わたしは生きている」と主なる神は言われる。「わたしはあなたがたの問いに答えない。
32Waarachtig: de verlangens van u zullen niet worden bevredigd, van u die zegt: wij willen hout en steen dienen, evenals de volken, evenals de stammen van andere landen.
32あなたがたが、『われわれは諸国の民や国々の諸部族のようになり、木や石に仕えよう』と言っているが、あなたがたの心に浮かんでいる考えは、決して実現しない。
33Zowaar Ik leef, zegt Jahweh, de Heer; met krachtige hand, met uitgestrekte arm en in vlagen van toorn zal Ik u mijn macht doen gevoelen.
33わたしは生きている」と主なる神は言われる。「わたしは必ず、力強い手と伸ばした腕と、注ぎ出される憤りをもって、あなたがたの王となる。
34Ik zal u wegvoeren uit de volken, en u samenbrengen uit de landen waarover ge verstrooid zijt, met krachtige hand, met uitgestrekte arm, en in vlagen van toorn.
34わたしは力強い手と伸ばした腕と、注ぎ出される憤りをもって、あなたがたを諸民族の中から連れ出し、散らされた国々から集める。
35Naar de woestijn der volken zal Ik u brengen, daar zal Ik u vonnissen van man tot man.
35あなたがたを諸民族の荒野へ連れて行き、そこで顔と顔を合わせて、あなたがたを裁く。
36Zoals Ik in de woestijn van Egypte uw vaderen gevonnist heb, zo zal Ik u vonnissen, zegt Jahweh, de Heer.
36エジプトの地の荒野で、わたしがあなたがたの先祖を裁いたように、あなたがたを裁く」と主なる神は言われる。
37Onder de knuppel zal Ik u door laten gaan en tuchtigen.
37「わたしはあなたがたを杖の下に通らせ、契約の絆に入れる。
38Zo zal Ik uit u verwijderen oproerlingen en kwaadwilligen; uit het land waar ze als vreemden vertoeven, zal Ik ze uitleiden, maar in het land van Israël komen ze niet. Zo zult ge erkennen, dat Ik Jahweh ben!
38あなたがたの中から、反逆する者とわたしに背く者を除き去る。彼らを住んでいる地から連れ出すが、彼らはイスラエルの地に入ることができない。そのとき、あなたがたは、わたしが主であることを知る。」』
39Maar gij, huis van Israël, spreekt Jahweh, de Heer: werpt al uw schandgoden weg, en luistert voortaan naar Mij. Dan zult ge mijn heilige Naam met uw gaven en door uw schandgoden niet meer ontwijden.
39「イスラエルの家よ、あなたがたについて主なる神はこう言われる。『行け。それぞれ自分の偶像に仕えよ。今後もわたしの言うことを聞こうとしないなら、そうするがよい。しかし、あなたがたの供え物と偶像によって、わたしの聖なる名を二度と汚してはならない。
40Want op mijn heilige berg, op Israëls verheven top, zegt Jahweh, de Heer, daar zal heel het huis van Israël Mij dienen; daar zal Ik mijn vreugde aan hen beleven, daar naar uw gaven verlangen, naar uw eerstelingoffers met alles wat ge Mij toewijdt.
40わたしの聖なる山、イスラエルの高い山で」と主なる神は言われる。「そこでは、その地にいるイスラエルの全家、そのすべての者がわたしに仕える。そこでわたしは彼らを受け入れ、あなたがたの奉納物と、供え物の初物と、すべての聖なるものを求める。
41Als aan een welriekende geur zal Ik aan u mijn vreugde beleven, als Ik u heb weggevoerd uit de volken, en u heb samengebracht uit de landen waarover gij verstrooid zijt; want zo zal Ik door u mijn heiligheid bewijzen in de ogen der volken.
41わたしがあなたがたを諸民族の中から連れ出し、散らされていた国々から集めるとき、芳しい香りとしてあなたがたを受け入れる。あなたがたを通して、諸国の民の目の前で、わたしが聖なる者であることを示す。
42Zo zult ge erkennen, dat Ik Jahweh ben. En als Ik u op Israëls grondgebied heb gebracht, in het land, dat Ik met opgestoken hand aan uw vaderen beloofd heb,
42わたしがあなたがたをイスラエルの地、すなわち、あなたがたの先祖に与えると誓った地へ導き入れるとき、あなたがたは、わたしが主であることを知る。
43dan zult ge daar terugdenken aan uw gedrag en uw daden, waardoor ge verontreinigd werdt; dan zal de schande op uw gelaat te lezen staan om al uw vroegere boosheid.
43そこで、あなたがたは自分の歩みと、自分を汚したすべての行いを思い出す。そして、自分が行ったすべての悪のために、自分自身を忌み嫌う。
44Zo zult ge, volk van Israël, erkennen, dat Ik Jahweh ben, doordat Ik met u gehandeld heb terwille van mijn Naam, en niet volgens uw slecht gedrag en uw boze daden, zegt Jahweh, de Heer.
44イスラエルの家よ、わたしがあなたがたの悪い道にも、腐敗した行いにも従わず、わたしの名のためにあなたがたを扱うとき、あなたがたは、わたしが主であることを知る」と主なる神は言われる。』」
45Het woord van Jahweh werd tot mij gericht:
45主の言葉が私に臨んだ。
46Mensenkind, wend uw gelaat naar het zuiden, en laat uw woord kletteren tegen het zuiden; profeteer tegen het woud in het zuiden,
46「人の子よ、南に顔を向け、南に向かって語り、南の野の森に向かって預言せよ。
47en zeg tot het woud in het zuiden: Luister naar het woord van Jahweh! Zo spreekt Jahweh, de Heer: Zie, Ik ga in u een vuur ontsteken, dat al uw groene en dorre bomen verteren zal. De laaiende vlam zal niet uitdoven; aller gelaat van zuid tot noord zal erdoor worden geschroeid.
47南の森に言え。『主の言葉を聞け。主なる神はこう言われる。「見よ、わたしはあなたの中に火をつける。その火は、あなたの中のすべての青々とした木と、すべての枯れた木を焼き尽くす。燃え上がる炎は消されず、南から北まで、すべての顔がそれによって焼かれる。
48Zo zullen alle schepselen inzien, dat Ik, Jahweh, het aangestoken heb! Neen, geblust wordt het niet!
48すべての肉なる者は、主であるわたしが火をつけたことを見る。その火は消されない。」』」
49Maar ik sprak: Ach, Heer Jahweh, ze zeggen van mij: hij spreekt ook altijd in raadsels!
49そこで私は言った。「ああ、主なる神よ。人々は私について、『彼はたとえばかり語る者ではないか』と言っています。」

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.