Ezechiel 25
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Freedom Bible (フリーダム・バイブル)
1Het woord van Jahweh werd tot mij gericht:
1主の言葉が私に臨んだ。
2Mensenkind, richt uw gelaat naar de Ammonieten, en profeteer tegen hen.
2「人の子よ、アンモンの子らに顔を向け、彼らに対して預言せよ。
3Ge moet tot de Ammonieten zeggen: Luistert naar het woord van Jahweh, den Heer! Dit zegt Jahweh, de Heer: Daar ge ha-ha hebt geroepen over mijn heiligdom, omdat het ontwijd is, en over het land Israël, omdat het verwoest is, en over het huis van Juda, omdat het in ballingschap is gegaan:
3アンモンの子らに言え。『主なる神の言葉を聞け。主なる神はこう言われる。「わたしの聖所が汚されたとき、イスラエルの地が荒れ果てたとき、ユダの家が捕囚となったとき、あなたはそれらに向かって、『ああ、よい気味だ』と言った。
4daarom lever Ik u uit aan de Oosterlingen. Die gaan bij u hun tenten opslaan, bij u hun woningen bouwen; zij zullen uw vruchten opeten, zij uw melk drinken.
4それゆえ、見よ、わたしはあなたを東方の民に渡して、その所有とする。彼らはあなたの中に陣営を置き、住まいを設ける。彼らはあなたの果実を食べ、あなたの乳を飲む。
5Want Rabba maak Ik tot een grasland voor kamelen, en Ammons steden tot een weideplaats voor schapen. Zo zult ge erkennen, dat Ik Jahweh ben!
5わたしはラバをらくだの放牧場とし、アンモンの子らの地を羊の群れの休み場とする。そのとき、あなたがたは、わたしが主であることを知る。」
6Want dit zegt Jahweh, de Heer: Omdat ge in uw handen hebt geklapt en met uw voeten hebt getrappeld, u met leedvermaak in het hart vrolijk hebt gemaakt over het land Israël,
6主なる神はこう言われる。「あなたはイスラエルの地に向かって手を打ち、足を踏み鳴らし、心の底から侮って喜んだ。
7daarom strek Ik mijn hand tegen u uit, lever Ik u aan de heidenen over, verdelg Ik u uit de volken, vaag Ik u weg uit de landen, en zal Ik u verwoesten. Zo zult ge erkennen, dat Ik Jahweh ben!
7それゆえ、見よ、わたしはあなたに向かって手を伸ばし、あなたを諸国の略奪物として渡す。わたしはあなたを諸民族の中から断ち切り、国々の中から消し去り、あなたを滅ぼす。そのとき、あなたは、わたしが主であることを知る。」
8Dit zegt Jahweh, de Heer! Omdat Moab gezegd heeft: Het volk van Juda is net als andere volken,
8主なる神はこう言われる。「モアブとセイルは、『見よ、ユダの家もすべての諸国と同じだ』と言った。
9daarom stel Ik Moabs bergkam open, zodat de steden er verdwijnen: Aroër aan zijn grens, Bet-Hajjesjimot de parel des lands, Baäl-Meon en Kirjatáim.
9それゆえ、見よ、わたしはモアブの側面を、その国境にある町々、その地の誉れであるベテ・エシモテ、バアル・メオン、キルヤタイムから開く。
10Ik lever hun land uit aan de Oosterlingen als een toegift bij de Ammonieten, opdat het, met de Ammonieten, vergeten raakt onder de volken.
10わたしはそれを東方の民に開き、彼らをアンモンの子らに攻めかからせる。そして、アンモンの子らを彼らの所有とする。こうして、アンモンの子らは諸国の間で思い起こされなくなる。
11Ook in Moab ga Ik gericht houden! Zo zullen ze erkennen, dat Ik Jahweh ben!
11わたしはモアブに裁きを行う。そのとき、彼らは、わたしが主であることを知る。」
12Dit zegt Jahweh, de Heer! Omdat Edom wraakzuchtig heeft gehandeld jegens het huis van Juda, zich zwaar bezondigd en zich op hen heeft gewroken,
12主なる神はこう言われる。「エドムはユダの家に復讐し、彼らに復讐することによって大きな罪を犯した。」
13daarom zegt Jahweh, de Heer: Ik strek mijn hand tegen Edom uit, vaag er mens en dier uit weg, en maak het een puinhoop van Teman tot Dedan; door het zwaard zullen ze vallen.
13それゆえ、主なる神はこう言われる。「わたしはエドムに向かって手を伸ばし、そこから人と動物を断ち切る。テマンからデダンに至るまで、その地を荒れ果てさせる。彼らは剣に倒れる。
14Ik zal mijn wraak op Edom in de handen leggen van mijn volk Israël, en dat zal Edom behandelen, zoals mijn woede en mijn toorn dat eisen. Mijn wraak zullen ze ondervinden, zegt Jahweh, de Heer!
14わたしは、わたしの民イスラエルの手によってエドムに復讐する。彼らはわたしの怒りと憤りに従ってエドムを扱う。そのとき、彼らはわたしの復讐を知る」と主なる神は言われる。
15Dit zegt Jahweh, de Heer! Omdat de Filistijnen wraakzuchtig hebben gehandeld, en wraak genomen hebben met leedvermaak in het hart om een eeuwenoude vijandschap bot te vieren,
15主なる神はこう言われる。「ペリシテ人は復讐を行い、心の底から侮り、絶え間ない敵意をもって復讐し、滅ぼそうとした。」
16daarom zegt Jahweh, de Heer: Ik strek mijn hand tegen de Filistijnen uit, verdelg de Kretenzen, en vaag de rest van het zeestrand weg.
16それゆえ、主なる神はこう言われる。「見よ、わたしはペリシテ人に向かって手を伸ばし、ケレテ人を断ち切り、海辺に残る者を滅ぼす。
17Met grimmige straffen zal Ik een geweldige wraak op hen nemen. Zo zullen ze erkennen, dat Ik Jahweh ben, als Ik mijn wraak op hen koel!
17わたしは怒りに満ちた懲らしめをもって、彼らに大いなる復讐を行う。わたしが彼らに復讐するとき、彼らは、わたしが主であることを知る。」』」
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.