Ezechiel
Chapter 31
Petrus Canisius Bible, 1…
vs Freedom Bible (フリー…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Freedom Bible (フリーダム・バイブル)
1In het elfde jaar, op de eerste van de derde maand, werd het woord van Jahweh tot mij gericht.
1第十一年の第三の月、その月の一日、主の言葉が私に臨んだ。
2Mensenkind, ge moet tot Farao en tot zijn drommen zeggen: Aan wie waart ge in uw grootheid gelijk?
2「人の子よ、エジプトの王ファラオと、その大勢の民に言え。 『あなたはその偉大さにおいて、 だれに似ているのか。
3Zie, Ik maakte u tot een Libanon-ceder, Met mooie takken, schaduwrijk loof en rijzige stam; Tussen de wolken reikte zijn kruin.
3見よ、アッシリアはレバノンの杉であった。 美しい枝を持ち、 森のような陰を作り、 丈は高く、 その梢は茂った大枝の間にあった。
4Water deed hem gedijen, De oceaan liet hem groeien; Die liet zijn stromen vloeien over zijn wortels, Liet zijn kanalen lopen over het hele veld.
4水がそれを養い、 深淵がそれを成長させた。 深淵の川々は植えられた場所の周囲を流れ、 その水路を野のすべての木に送った。
5Daarom rees zijn stam Boven alle bomen des velds, Kreeg hij veel takken, lange twijgen: Van het vele water in zijn scheuten.
5それゆえ、その丈は、 野のすべての木よりも高くなった。 その大枝は増え、 豊かな水によって枝は長く伸び広がった。
6In zijn takken nestelden alle vogels uit de lucht, Onder zijn twijgen wierpen alle wilde dieren haar jongen; En in zijn schaduw zetten Allerlei talrijke volken zich neer.
6空のすべての鳥が、その大枝に巣を作った。 野のすべての動物が、その枝の下で子を産んだ。 すべての大国が、その陰に住んだ。
7Hij was een prachtige boom om zijn hoogte, En door de lengte van zijn takken; Want zijn wortels stonden Aan overvloedige wateren.
7こうして、それはその偉大さと、 枝の長さによって美しかった。 その根は豊かな水のほとりにあった。
8De ceders in Gods tuin evenaarden hem niet, Cypressen konden niet op tegen zijn twijgen; Geen plataan had zulke takken als hij, Geen boom in Gods tuin bereikte zijn pracht!
8神の園の杉も、その美しさをかすませることはできなかった。 糸杉もその大枝には及ばず、 松の木もその枝には及ばなかった。 神の園のどの木も、 その美しさには及ばなかった。
9Ik had hem heerlijk gemaakt, Met zijn talloze takken; Hij werd door alle bomen van Eden benijd, Die in Gods tuin staan.
9わたしは多くの枝によって、それを美しくした。 そのため、神の園にある、 エデンのすべての木がそれをねたんだ。』
10Daarom zegt Jahweh, de Heer: Omdat hij groot ging op zijn stam, Omdat hij zijn kruin tussen de wolken stak, En hij trots werd op zijn lengte:
10それゆえ、主なる神はこう言われる。『その丈が高くなり、梢を茂った大枝の間に置き、その高さのために心が高ぶったので、
11Daarom geef Ik hem in de macht Van een geweldige onder de volken; Die zal de hand aan hem slaan; Ik ruk hem uit om zijn boosheid.
11わたしはそれを諸国の有力者の手に渡す。その者は必ずこれを思いのままに扱う。わたしはその悪のために、これを追い出した。
12Vreemde, barbaarse volken houwen hem om, En smakken hem neer op de bergen; In alle dalen vallen zijn takken, Zijn geknakte twijgen in alle kloven der aarde. Alle volken der aarde vluchten weg uit zijn schaduw, En smijten hem weg;
12異国人、諸国の中で最も残忍な者たちがこれを切り倒し、捨て去った。その枝は山々とすべての谷に落ち、その大枝はこの地のすべての水路のそばで折れた。地のすべての民はその陰から出て行き、これを見捨てた。
13Op zijn gevelde stam laten allerlei vogels uit de lucht zich neer, Allerlei wilde dieren zitten op zijn twijgen.
13空のすべての鳥は、その倒れた幹の上に住み、野のすべての動物はその枝の上にいる。
14Zo gaat geen rijkbevloeide boom meer groot op zijn stam, Steekt zijn kroon niet meer tussen de wolken; En geen zal er zich meer op zijn grootheid verheffen, Van alles wat water opzuigt. Want ze zijn allen bestemd voor de dood, Voor de diepten der aarde; Temidden van de kinderen der mensen, Die al in het graf zijn gedaald.
14これは、水のほとりにあるどの木も、自分の丈の高さを誇らず、その梢を茂った大枝の間に置かないためである。水を飲むすべての木のうち、力あるものも、その高さに立ち続けることはない。彼らは皆、死に渡され、人の子らの間で、穴に下る者たちと共に地の低い所へ行くからである。』
15Dit zegt Jahweh, de Heer: Op de dag dat hij naar de onderwereld afdaalde, Liet Ik de oceaan in rouwkleed om hem treuren, Heb Ik zijn oevers verstopt, En het overvloedige water hield op. Ik hulde om hem de Libanon in rouw, En alle bomen van het veld verlepten;
15主なる神はこう言われる。『それがよみ に下った日、わたしは喪をもたらした。わたしはそのために深淵を覆い、その川々をせき止めた。大水はとどめられた。わたしはそのためにレバノンを嘆かせ、野のすべての木はそのためにしおれた。
16Door de dreun van zijn val heb Ik volken verschrikt, Toen Ik hem de diepte instiet, bij hen die in het graf zijn gedaald. Nu troosten zich in de diepte der aarde Alle bomen van Eden, Het puik en de keur van de Libanon, Alles wat water opzuigt.
16わたしがそれを穴に下る者たちと共によみへ投げ落としたとき、その倒れる音によって諸国を震えさせた。エデンのすべての木、レバノンの選り抜きの最良の木、水を飲むすべての木は、地の低い所で慰めを得た。
17Ook zij moesten met hem mee, het dodenrijk in, Naar hen, die door het zwaard zijn getroffen: Naar zijn bondgenoten, die in zijn schaduw zaten Te midden der volken.
17彼らもまた、それと共によみへ、剣で殺された者たちのもとへ下った。諸国のただ中でその陰に住み、その腕となっていた者たちも同じである。
18Op wien gelijkt ge nu nog in pracht En in grootheid onder de bomen van Eden? Gij zijt neergesmakt met de bomen van Eden, In de diepten der aarde. Tussen onbesnedenen ligt ge nu neer, Bij hen, die door het zwaard zijn getroffen. Zo gaat het Farao met al zijn drommen, Is de godsspraak van Jahweh, den Heer!
18エデンの木々の中で、栄光と偉大さにおいて、あなたはこのようにだれに似ているのか。しかし、あなたはエデンの木々と共に地の低い所へ引き下ろされる。あなたは剣で殺された者たちと共に、割礼を受けていない者たちの間に横たわる。 これがファラオと、その大勢の民である』と主なる神は言われる。」

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.