Ezechiel 36
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Freedom Bible (フリーダム・バイブル)
1Mensenkind, ge moet over de bergen van Israël profeteren en zeggen: Bergen van Israël, luistert naar het woord van Jahweh!
1「人の子よ、イスラエルの山々に向かって預言し、こう言え。『イスラエルの山々よ、主の言葉を聞け。
2Dit zegt Jahweh, de Heer! Omdat de vijand over u heeft uitgeroepen: Haha, voorgoed zijn ze verwoest, ze worden ons bezit;
2主なる神はこう言われる。「敵があなたがたに向かって、『ああ、思いどおりだ。昔からの高き所は、われわれの所有となった』と言った。」』
3daarom moet ge profeteren en zeggen: Zo spreekt Jahweh, de Heer! Omdat uw buren u van alle kanten opgejaagd en vertrapt hebben, om u tot bezit te maken van de overige volken, en gij over de tong gaat in de praatjes der mensen:
3それゆえ、預言して言え。『主なる神はこう言われる。「彼らはあなたがたを荒れ果てさせ、四方からのみ尽くし、残された諸国の所有物にしようとした。あなたがたは人々の口に上り、民の悪評の的となった。」
4daarom, bergen van Israël, luistert naar het woord van Jahweh! Dit zegt Jahweh, de Heer, tot de bergen en hoogten, de ravijnen en dalen, de eenzame puinen en verlaten steden, die ten buit en ten spot vielen aan de overige volken om u heen.
4それゆえ、イスラエルの山々よ、主なる神の言葉を聞け。主なる神は、山々と丘、水の流れる谷と低地、荒れ果てた廃墟と見捨てられた町々、すなわち周囲に残された諸国の略奪物となり、あざけりとなった所にこう言われる。
5Waarachtig, zegt Jahweh, de Heer: Ik zal ze! In mijn brandende jaloezie spreek Ik tot heel Edom en tot de overige volken, die met een vrolijk hart en bezield van leedvermaak bezit genomen hebben van mijn land, om het als oorlogsbuit te bezitten.
5それゆえ、主なる神はこう言われる。「わたしは、ねたみの火のうちに、残された諸国とエドム全土に向かって語った。彼らは心から喜び、心の底からの侮りをもって、わたしの地を自分たちの所有とし、略奪物にしようとした。」』
6Profeteer daarom over het land van Israël, en roep tot de bergen en hoogten, de ravijnen en dalen: Dit zegt Jahweh, de Heer! Daar ben Ik! Ik spreek in mijn jaloezie en mijn toorn! Omdat gij de spot der volken moest verduren,
6それゆえ、イスラエルの地について預言し、山々と丘、水の流れる谷と低地に言え。『主なる神はこう言われる。「見よ、あなたがたが諸国の辱めを負ったので、わたしはねたみと憤りのうちに語った。」
7daarom zegt Jahweh, de Heer: Nu steek Ik mijn hand op! Waarachtig! de volken, die u omringen, zullen hun schande moeten dragen!
7それゆえ、主なる神はこう言われる。「わたしは誓った。あなたがたの周囲にいる諸国は、必ず自分たちの辱めを負う。
8Maar gij, bergen van Israël, gij zult wortel schieten en vruchten dragen voor mijn volk Israël; want spoedig zullen zij komen.
8しかし、イスラエルの山々よ、あなたがたは枝を伸ばし、わたしの民イスラエルのために実を結ぶ。彼らが帰って来る時が近いからである。
9Zie, Ik nader tot u, en ga voor u staan: ge zult weer bewerkt worden en vruchtbaar zijn.
9見よ、わたしはあなたがたの味方である。わたしはあなたがたに心を向ける。あなたがたは耕され、種をまかれる。
10Ik geef u een dichte bevolking: het hele huis van Israël tezamen. Dan zullen de steden bewoond, de ruïnen weer opgebouwd worden.
10わたしはあなたがたの上に人を増やす。イスラエルの全家、そのすべてを増やす。町々には人が住み、廃墟は建て直される。
11Talrijk maak Ik op u mens en dier: zij zullen zich uitbreiden en zich vermenigvuldigen; uw bevolking maak Ik weer dicht als vroeger, uw vruchtbaarheid rijker dan voorheen. Zo zult ge erkennen, dat Ik Jahweh ben!
11わたしはあなたがたの上に人と動物を増やす。彼らは増え、実り豊かになる。わたしは、以前のようにあなたがたに人を住まわせ、初めのころよりも良くする。そのとき、あなたがたは、わたしが主であることを知る。
12Ik ga weer mensen op u vestigen, Israël mijn volk: die zullen u bezitten en beërven; nooit meer zult gij ze kinderloos maken.
12わたしは人々、すなわち、わたしの民イスラエルをあなたがたの上に歩ませる。彼らはあなたがたを所有し、あなたがたは彼らの相続地となる。あなたがたは二度と彼らから子を奪わない。」
13Dit zegt Jahweh, de Heer! Omdat men u verwijt: Gij hebt mensen verslonden, en uw bevolking kinderloos gemaakt,
13主なる神はこう言われる。「人々はあなたがたに、『あなたは人を食い尽くし、自分の国民から子を奪ってきた』と言っている。
14daarom zegt Jahweh, zult ge in het vervolg geen mensen meer verslinden of uw bevolking kinderloos maken.
14それゆえ、あなたはもはや人を食い尽くさず、自分の国民から子を奪うこともない」と主なる神は言われる。
15Dan blijft u de spot der volken bespaard, en hoeft ge de smaad der naties niet meer te verduren, daar ge ophoudt uw volk kinderloos te maken, zegt Jahweh, de Heer!
15「わたしは、あなたに諸国からの辱めを二度と聞かせない。あなたは諸民族からのそしりを二度と負わず、自分の国民を二度とつまずかせない」と主なる神は言われる。』」
16Het woord van Jahweh werd tot mij gericht:
16さらに、主の言葉が私に臨んだ。
17Mensenkind, toen het huis van Israël in zijn eigen land woonde, hebben ze door hun handel en wandel het verontreinigd; in mijn ogen was hun gedrag onrein als een maandvloeiing.
17「人の子よ、イスラエルの家が自分たちの地に住んでいたとき、彼らはその歩みと行いによって地を汚した。わたしの前では、彼らの歩みは月経による女の汚れのようであった。
18Toen stortte Ik mijn toorn over hen uit, om het bloed dat ze in het land vergoten, en de nietswaardige goden waarmede ze het hebben bezoedeld.
18それゆえ、彼らがその地で流した血と、その偶像によって地を汚したことのために、わたしは彼らの上に憤りを注いだ。
19Daarom heb Ik ze uiteengejaagd onder de volken, heb Ik ze over de landen verspreid, ze naar hun handel en wandel geoordeeld.
19わたしは彼らを諸国の間に散らし、国々の中に追い散らした。彼らの歩みと行いに従って彼らを裁いた。
20Maar toen ze onder de volken gekomen waren, hebben zij mijn heilige Naam ontwijd; want men zeide van hen: Dat is nu het volk van Jahweh; en tòch moesten ze zijn land verlaten!
20彼らが行った諸国で、彼らはわたしの聖なる名を汚した。人々が彼らについて、『この者たちは主の民でありながら、主の地を離れた』と言ったからである。
21Dat ging Mij aan het hart, omwille van mijn heilige Naam, die door het huis van Israël ontwijd werd bij de volken, waar ze gekomen waren.
21しかし、わたしは、イスラエルの家が行った諸国の中で汚した、わたしの聖なる名を惜しんだ。
22Zeg derhalve tot het huis van Israël: Zo spreekt Jahweh, de Heer! Ik doe het niet om uwentwil, huis van Israël, maar om wille van mijn heilige Naam, die ge ontwijd hebt bij de volken, waar ge gekomen zijt.
22それゆえ、イスラエルの家に言え。『主なる神はこう言われる。「イスラエルの家よ、わたしがこれを行うのは、あなたがたのためではない。あなたがたが行った諸国の中で汚した、わたしの聖なる名のためである。
23Want heiligen zal Ik mijn grote Naam, die nu ontwijd is onder de volken, en die gij onder hen hebt ontwijd. Dan zullen de volken erkennen, dat Ik Jahweh ben, zegt Jahweh de Heer, als Ik in hun bijzijn door u mijn heiligheid bewijs.
23わたしは、諸国の中で汚されたわたしの大いなる名、あなたがたが彼らの中で汚した名を聖なるものとする。わたしが諸国の目の前で、あなたがたのうちに自らが聖なる者であることを示すとき、彼らは、わたしが主であることを知る」と主なる神は言われる。
24Daarom zal Ik u uit de volken weghalen, u uit de landen bijeenroepen, u brengen naar uw eigen land.
24わたしはあなたがたを諸国の中から取り、すべての国々から集め、あなたがた自身の地へ連れて行く。
25Dan zal Ik u besprenkelen met zuiver water; dan zult ge gereinigd worden van al uw vlekken, en van al uw nietswaardige goden zal Ik u ontdoen.
25わたしは清い水をあなたがたの上に振りかける。あなたがたは清くなる。わたしは、あなたがたのすべての汚れと、すべての偶像からあなたがたを清める。
26Dan geef Ik u een nieuw hart en stort een nieuwe geest in uw binnenste, verwijder het stenen hart uit uw lichaam, en geef u een hart van vlees.
26わたしはあなたがたに新しい心を与え、あなたがたのうちに新しい霊を置く。あなたがたの肉体から石の心を取り除き、肉の心を与える。
27Mijn geest zal Ik in uw binnenste uitstorten, en maken, dat ge naar mijn wetten leeft, en mijn geboden nauwkeurig onderhoudt.
27わたしはあなたがたのうちにわたしの霊を置き、わたしの掟に従って歩ませる。あなたがたはわたしの定めを守り、それを行う。
28Dan zult ge wonen in het land, dat Ik aan uw vaderen heb gegeven; dan zult ge Mij tot volk, en Ik zal een God voor u zijn.
28あなたがたは、わたしがあなたがたの先祖に与えた地に住む。あなたがたはわたしの民となり、わたしはあなたがたの神となる。
29Zo zal Ik u bevrijden van al uw smetten. Ik zal het graan te voorschijn roepen en het overvloedig doen groeien, in plaats van u te teisteren met hongersnood.
29わたしはあなたがたを、すべての汚れから救う。わたしは穀物を呼び寄せて増やし、あなたがたの上に飢饉をもたらさない。
30Ook zal Ik de vruchtbaarheid der bomen en de opbrengst van het veld vergroten, opdat ge de schande van honger te lijden niet meer hoeft te verduren onder de volken.
30わたしは木の実と畑の産物を増やす。あなたがたが諸国の間で、飢饉による辱めを二度と受けないためである。
31Als ge dan terugziet op uw slecht gedrag en op uw onbehoorlijke daden, dan zal de schaamte op uw gelaat te lezen staan over uw afdwalingen en uw gruwelen.
31そのとき、あなたがたは自分たちの悪い歩みと、良くない行いを思い出し、自分たちの不義と忌むべき行いのために、自分自身を忌み嫌う。
32Weet wèl, dat Ik het niet om uwentwil doe, zegt Jahweh de Heer! Schaam u derhalve, en bloos over uw gedrag, huis van Israël!
32わたしがこれを行うのは、あなたがたのためではない」と主なる神は言われる。「そのことを知れ。イスラエルの家よ、自分たちの歩みを恥じ、辱められよ。
33Dit zegt Jahweh, de Heer: Als Ik u gezuiverd heb van al uw smetten, en uw steden bevolkt heb; als de ruïnen herbouwd zijn,
33主なる神はこう言われる。わたしがあなたがたをすべての不義から清める日に、町々に人を住まわせ、廃墟を建て直す。
34en het land weer bewerkt wordt, in plaats dat het woest ligt ten aanschouwen van een ieder, die voorbijgaat;
34荒れ果てていた地は、通り過ぎるすべての者の目に荒れ地と見えていたが、耕されるようになる。
35dan zal men uitroepen: Dit woeste land is in een tuin van Eden veranderd; en die steden, die verwoest waren en in puin lagen, zijn nu versterkt en bewoond!
35人々は、『荒れ果てていたこの地は、エデンの園のようになった。廃墟となり、荒れ果て、破壊されていた町々は、城壁で囲まれ、人が住んでいる』と言う。
36Zo zullen de volken, die in uw omtrek overblijven, erkennen, dat Ik, Jahweh, die puinhopen herbouwd en het woeste land weer beplant heb. Ik, Jahweh, heb het gezegd, en Ik zal het doen!
36そのとき、あなたがたの周囲に残された諸国は、主であるわたしが、破壊された所を建て直し、荒れ果てていた所に植えたことを知る。主であるわたしが語り、それを行う。
37Dit zegt Jahweh, de Heer: Ook tot deze gunst zal Ik Mij door het huis van Israël laten verbidden: Ik zal het zo talrijk maken, dat de mensen op kudden gelijken;
37主なる神はこう言われる。このことについても、わたしはイスラエルの家の願いを聞き入れ、彼らのために行う。わたしは彼らを、羊の群れのように増やす。
38als offerdieren, als schapen op Jerusalems feesten, zó talrijk zullen de ontvolkte steden met kudden van mensen worden bewoond. Zo zullen ze erkennen, dat Ik Jahweh ben!
38いけにえの羊の群れのように、定められた祭りの時のエルサレムの羊の群れのように、廃墟となった町々は人の群れで満ちる。そのとき、彼らは、わたしが主であることを知る。』」
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.