Ezechiel
Chapter 20
Petrus Canisius Bible, 1…
vs Septuagint (Brento…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Septuagint (Brenton Greek text, with Apocrypha)
1In het zevende jaar, op de tiende van de vijfde maand, kwamen enigen van Israëls oudsten Jahweh raadplegen. En toen zij voor mij zaten,
1Καὶ ἐγένετο ἐν τῷ ἔτει τῷ ἑβδόμῳ τῇ πεντεκαιδεκάτῃ τοῦ μηνὸς, ἦλθον ἄνδρες ἐκ τῶν πρεσβυτέρων οἴκου Ἰσραὴλ, ἐπερωτῆσαι τὸν Κύριον, καὶ ἐκάθισαν πρὸ προσώπου μου.
2werd het woord van Jahweh tot mij gericht:
2Καὶ ἐγένετο λόγος Κυρίου πρὸς μὲ, λέγων,
3Mensenzoon, spreek Israëls oudsten toe, en zeg hun: Zo spreekt Jahweh, de Heer! Komt ge Mij soms raadplegen? Zo waar Ik leef, Ik laat Mij door u niet raadplegen, zegt Jahweh, de Heer.
3υἱὲ ἀνθρώπου, λάλησον πρὸς τοὺς πρεσβυτέρους τοῦ οἴκου Ἰσραὴλ, καὶ ἐρεῖς πρὸς αὐτοὺς, τάδε λέγει Κύριος, εἰ ἐπερωτῆσαί με ὑμεῖς ἔρχεσθε; ζῶ ἐγὼ, εἰ ἀποκριθήσομαι ὑμῖν, λέγει Κύριος.
4Mensenkind, wilt ge hen vonnissen, wilt ge hen vonnissen? Wijs hen dan op de gruwelen van hun vaderen, en zeg hun: Zo spreekt Jahweh, de Heer!
4Εἰ ἐκδικήσω αὐτοὺς ἐκδικήσει, υἱὲ ἀνθρώπου; τὰς ἀνομίας τῶν πατέρων αὐτῶν διαμάρτυραι αὐτοῖς,
5Toen Ik Israël uitverkoos, heb Ik mijn hand opgestoken voor de kinderen van Jakobs stam; Ik heb Mij aan hen geopenbaard in het land van Egypte, en mijn hand voor hen opgestoken met de woorden: Ik ben Jahweh, uw God!
5καὶ ἐρεῖς πρὸς αὐτοὺς, τάδε λέγει Κύριος, Ἀφʼ ἧς ἡμέρας ᾑρέτισα τὸν οἶκον Ἰσραὴλ, καὶ ἐγνωρίσθην τῷ σπέρματι οἴκου Ἰακώβ, καὶ ἐγνώσθην αὐτοῖς ἐν γῇ Αἰγύπτου, καὶ ἀντελαβόμην τῇ χειρί μου αὐτῶν, λέγων, ἐγὼ Κύριος ὁ Θεὸς ὑμῶν·
6In die tijd heb Ik hun met opgestoken hand beloofd, om ze uit Egypte te leiden naar een uitgezocht land, dat droop van melk en honing: de parel van alle landen.
6Ἐν ἐκείνῃ τῇ ἡμέρᾳ ἀντελαβόμην τῇ χειρί μου αὐτῶν, τοῦ ἐξαγαγεῖν αὐτοὺς ἐκ γῆς Αἰγύπτου εἰς τὴν γῆν ἣν ἡτοίμασα αὐτοῖς, γῆν ῥέουσαν γάλα καὶ μέλι, κηρίον ἐστὶ παρὰ πᾶσαν τὴν γῆν.
7En Ik sprak tot hen: Laat een ieder zijn ogen van de gruwelbeelden afhouden, en niemand verontreinige zich aan de schandgoden van Egypte; Ik, Jahweh, ben uw God!
7Καὶ εἶπα πρὸς αὐτοὺς, ἕκαστος βδελύγματα τῶν ὀφθαλμῶν αὐτοῦ ἀποῤῥιψάτω, καὶ ἐν τοῖς ἐπιτηδεύμασιν Αἰγύπτου μὴ μιαίνεσθε, ἐγὼ Κύριος ὁ Θεὸς ὑμῶν.
8Maar ze verzetten zich tegen Mij, en wilden niet naar Mij luisteren: niemand hield zijn ogen van de gruwelbeelden af, en ze lieten de schandgoden van Egypte niet varen. Daarom wilde Ik mijn toorn over hen uitstorten, mijn woede op hen koelen midden in het land van Egypte.
8Καὶ ἀπέστησαν ἀπʼ ἐμοῦ, καὶ οὐκ ἠθέλησαν εἰσακοῦσαί μου, τὰ βδελύγματα τῶν ὀφθαλμῶν αὐτῶν οὐκ ἀπέῤῥιψαν, καὶ τὰ ἐπιτηδεύματα Αἰγύπτου οὐκ ἐγκατέλιπον· καὶ εἶπα τοῦ ἐκχέαι τὸν θυμόν μου ἐπʼ αὐτοὺς, τοῦ συντελέσαι ὀργήν μου ἐν αὐτοῖς ἐν μέσῳ τῆς Αἰγύπτου.
9Maar Ik deed het niet terwille van mijn Naam, opdat die niet ontwijd zou worden in de ogen van de volken, in wier midden zij woonden, in wier bijzijn Ik Mij aan hen geopenbaard had, om ze uit Egypte te leiden.
9Καὶ ἐποίησα ὅπως τὸ ὄνομά μου τὸ παράπαν μὴ βεβηλωθῇ ἐνώπιον τῶν ἐθνῶν, ὧν αὐτοί εἰσιν ἐν μέσῳ αὐτῶν, ἐν οἷς ἐγνώσθην πρὸς αὐτοὺς ἐνώπιον αὐτῶν, τοῦ ἐξαγαγεῖν αὐτοὺς ἐκ γῆς Αἰγύπτου.
10Dus leidde Ik hen uit Egypte, en bracht hen in de woestijn.
10Καὶ ἤγαγον αὐτοὺς εἰς τὴν ἔρημον,
11Ik gaf hun mijn wetten en openbaarde hun mijn geboden, die de mens moet onderhouden, om te blijven leven.
11καὶ ἔδωκα αὐτοῖς τὰ προστάγματά μου, καὶ τὰ δικαιώματά μου ἐγνώρισα αὐτοῖς, ὅσα ποιήσει αὐτὰ ἄνθρωπος, καὶ ζήσεται ἐν αὐτοῖς.
12Ook gaf Ik hun mijn sabbatten: het teken tussen Mij en hen, waaraan zij zouden erkennen, dat Ik, Jahweh, het ben, die hen heilig maak.
12Καὶ τὰ σάββατά μου ἔδωκα αὐτοῖς, τοῦ εἶναι εἰς σημεῖον ἀναμέσον ἐμοῦ καὶ ἀναμέσον αὐτῶν, τοῦ γνῶναι αὐτοὺς διότι ἐγὼ Κύριος ὁ ἁγιάζων αὐτούς.
13Maar het huis van Israël verzette zich tegen Mij in de woestijn; naar mijn wetten leefden ze niet; ze verachtten mijn geboden, die de mens moet onderhouden om te blijven leven, en mijn sabbatten hebben ze schromelijk ontwijd. Daarom wilde Ik in de woestijn mijn toorn over hen uitstorten, en ze verdelgen.
13Καὶ εἶπα πρὸς τὸν οἶκον τοῦ Ἰσραὴλ ἐν τῇ ἐρήμῳ, ἐν τοῖς προστάγμασί μου πορεύεσθε· καὶ οὐκ ἐπορεύθησαν· καὶ τὰ δικαιώματά μου ἀπώσαντο, ἃ ποιήσει αὐτὰ ἄνθρωπος καὶ ζήσεται ἐν αὐτοῖς· καὶ τὰ σάββατά μου ἐβεβήλωσαν σφόδρα· καὶ εἶπα τοῦ ἐκχέαι τὸν θυμόν μου ἐπʼ αὐτοὺς ἐν τῇ ἐρήμῳ, τοῦ ἐξαναλῶσαι αὐτούς.
14Maar Ik deed het niet terwille van mijn Naam, opdat die niet ontwijd zou worden in de ogen van de volken, in wier bijzijn Ik hen had weggeleid.
14Καὶ ἐποίησα ὅπως τὸ ὄνομά μου τὸ παράπαν μὴ βεβηλωθῇ ἐνώπιον τῶν ἐθνῶν, ὧν ἐξήγαγον αὐτοὺς κατʼ ὀφθαλμοὺς αὐτῶν.
15Wel stak Ik in de woestijn mijn hand tegen hen op, dat Ik ze niet zou brengen in het land, dat Ik hun had toegedacht: dat druipt van melk en honing, de parel van alle landen;
15Καὶ ἐγὼ ἐξῇρα τὴν χεῖρά μου ἐπʼ αὐτοὺς ἐν τῇ ἐρήμῳ τὸ παράπαν, τοῦ μὴ εἰσαγαγεῖν αὐτοὺς εἰς τὴν γῆν ἣν ἔδωκα αὐτοῖς, γῆν ῥέουσαν γάλα καὶ μέλι· κηρίον ἐστὶ παρὰ πᾶσαν τὴν γῆν·
16omdat ze mijn geboden verachtten, naar mijn wetten niet leefden, mijn sabbatten ontwijdden, en hun hart aan hun schandgoden gehecht was.
16Ἀνθʼ ὧν τὰ δικαιώματά μου ἀπώσαντο, καὶ ἐν τοῖς προστάγμασί μου οὐκ ἐπορεύθησαν ἐν αὐτοῖς, καὶ τὰ σάββατά μου ἐβεβήλουν, καὶ ὀπίσω τῶν ἐνθυμημάτων καρδίας αὐτῶν ἐπορεύοντο.
17Maar Ik zag er van af, hen te verdelgen; en zo heb Ik ze niet afgemaakt in de woestijn.
17Καὶ ἐφείσατο ὁ ὀφθαλμός μου ἐπʼ αὐτοὺς, τοῦ ἐξαλεῖψαι αὐτοὺς, καὶ οὐκ ἐποίησα αὐτοὺς εἰς συντέλειαν ἐν τῇ ἐρήμῳ.
18Daarna sprak Ik in de woestijn tot hun kinderen: Naar de wijze van uw ouders moogt ge niet leven, aan hun gewoonten niet vasthouden, en aan hun schandgoden u niet verontreinigen.
18Καὶ εἶπα πρὸς τὰ τέκνα αὐτῶν ἐν τῇ ἐρήμῳ, ἐν τοῖς νομίμοις τῶν πατέρων ὑμῶν μὴ πορεύεσθε, καὶ τὰ δικαιώματα αὐτῶν μὴ φυλάσσεσθε, καὶ ἐν τοῖς ἐπιτηδεύμασιν αὐτῶν μὴ συναναμίσγεσθε, καὶ μὴ μιαίνεσθε.
19Ik, Jahweh, ben uw God; leeft volgens mijn wetten, onderhoudt nauwkeurig mijn geboden,
19Ἐγὼ Κύριος ὁ Θεὸς ὑμῶν· ἐν τοῖς προστάγμασί μου πορεύεσθε, καὶ τὰ δικαιώματά μου φυλάσσεσθε, καὶ ποιεῖτε αὐτά.
20houdt mijn sabbatten heilig, opdat ze een teken zijn tussen u en Mij, waaraan gij erkent, dat Ik, Jahweh, uw God ben.
20Καὶ τὰ σάββατά μου ἁγιάζετε, καὶ ἔστω εἰς σημεῖον ἀναμέσον ἐμοῦ καὶ ὑμῶν, τοῦ γινώσκειν διότι ἐγὼ Κύριος ὁ Θεὸς ὑμῶν.
21Maar ook de kinderen verzetten zich tegen Mij: ze leefden niet naar mijn wetten, ze hebben mijn geboden veracht, die de mens moet onderhouden om te blijven leven, en mijn sabbatten hebben ze ontwijd. Daarom wilde Ik mijn toorn over hen uitstorten, in de woestijn mijn woede op hen koelen.
21Καὶ παρεπίκρανάν με, καὶ τὰ τέκνα αὐτῶν ἐν τοῖς προστάγμασί μου οὐκ ἐπορεύθησαν, καὶ τὰ δικαιώματά μου οὐκ ἐφυλάξαντο τοῦ ποιεῖν αὐτὰ, ἃ ποιήσει ἄνθρωπος καὶ ζήσεται ἐν αὐτοῖς, καὶ τὰ σάββατά μου ἐβεβήλουν· καῖ εἶπα τοῦ ἐκχέαι τὸν θυμόν μου ἐπʼ αὐτοὺς ἐν τῇ ἐρήμῳ, τοῦ συντελέσαι τὴν ὀργήν μου ἐπʼ αὐτούς.
22Maar Ik trok mijn hand terug, en deed het niet terwille van mijn Naam, opdat die niet ontwijd zou worden in de ogen der volken, in wier bijzijn Ik hen uitgeleid had.
22Καὶ ἐποίησα ὅπως τὸ ὄνομά μου τὸ παράπαν μὴ βεβηλωθῇ ἐνώπιον τῶν ἐθνῶν, καὶ ἐξήγαγον αὐτοὺς κατʼ ὀφθαλμοὺς αὐτῶν.
23Wel stak Ik in de woestijn mijn hand tegen hen op, om ze onder de volken te verstrooien en ze over de landen te verspreiden;
23Ἐξῇρα τὴν χεῖρά μου ἐπʼ αὐτοὺς ἐν τῇ ἐρήμῳ τοῦ διασκορπίσαι αὐτοὺς ἐν τοῖς ἔθνεσι, διασπεῖραι αὐτοὺς ἐν ταῖς χώραις,
24omdat zij mijn geboden niet opvolgden, mijn wetten verachtten, mijn sabbatten ontwijdden, en hun ogen aan de schandgoden van hun ouders bleven gehecht.
24ἀνθʼ ὧν τὰ δικαιώματά μου οὐκ ἐποίησαν, καὶ τὰ προστάγματά μου ἀπώσαντο, καὶ τὰ σάββατά μου ἐβεβήλουν καὶ ὀπίσω τῶν ἐνθυμημάτων τῶν πατέρων αὐτῶν ἦσαν οἱ ὀφθαλμοὶ αὐτῶν.
25Ook gaf Ik hun wetten, die niet goed waren, geboden waarbij ze niet leven konden:
25Καὶ ἐγὼ ἔδωκα αὐτοῖς προστάγματα οὐ καλὰ, καὶ δικαιώματα ἐν οἷς οὐ ζήσονται ἐν αὐτοῖς.
26door hun geschenken, door hun overgave van al wat de moederschoot opent, heb Ik hen verontreinigd, opdat ze zelf versteld zouden staan en erkennen, dat Ik Jahweh ben.
26Καὶ μιανῶ αὐτοὺς ἐν τοῖς δόγμασιν αὐτῶν, ἐν τῷ διαπορεύεσθαί με πᾶν διανοῖγον μήτραν, ὅπως ἀφανίσω αὐτούς.
27Spreek daarom, mensenkind, tot het huis van Israël en zeg: Zo spreekt Jahweh, de Heer! Ook in een ander opzicht hebben uw vaderen Mij gehoond door hun trouweloze afval.
27Διατοῦτο λάλησον πρὸς τὸν οἶκον τοῦ Ἰσραὴλ, υἱὲ ἀνθρώπου, καὶ ἐρεῖς πρὸς αὐτοὺς, τάδε λέγει Κύριος, ἕως τούτου παρώργισάν με οἱ πατέρες ὑμῶν ἐν τοῖς παραπτώμασιν αὐτῶν ἐν οἷς παρέπεσον εἰς ἐμέ.
28Want toen Ik hen naar het land had geleid, dat Ik hun met opgestoken hand beloofd had te geven, en ze al de hoge heuvels zagen en al de schaduwrijke bomen, slachtten ze daar hun offers, brachten daar hun ergerlijke geschenken, ontstaken daar hun welriekend offervuur, en plengden daar hun drankoffers.
28Καὶ εἰσήγαγον αὐτοὺς εἰς τὴν γῆν ἣν ᾖρα τὴν χεῖρά μου δοῦναι αὐτὴν αὐτοῖς· καὶ ἴδον πάντα βουνὸν ὑψηλὸν, καὶ πᾶν ξύλον κατάσκιον, καὶ ἔθυσαν ἐκεῖ τοῖς θεοῖς αὐτῶν, καὶ ἔταξαν ἐκεῖ ὀσμὴν εὐωδίας, καὶ ἔσπεισαν ἐκεῖ τὰς σπονδὰς αὐτῶν.
29En Ik sprak tot hen: Wat moet die hoogte, waar gij heen gaat? Daarom heet die nu nog “bama”.
29Καὶ εἶπον πρὸς αὐτοὺς, τί ἐστιν Ἀβαμὰ, ὅτι ὑμεῖς εἰσπορεύεσθε ἐκεῖ; καὶ ἐπεκάλεσαν τὸ ὄνομα αὐτοῦ Ἀβαμὰ, ἕως τῆς σήμερον ἡμέρας·
30Zeg daarom tot het huis van Israël: Zo spreekt Jahweh, de Heer! Verontreinigt gij u soms niet op dezelfde manier als uw vaderen; loopt ook gij hun gruwelbeelden niet achterna; hebt ge u niet aan al uw schandgoden tot de dag van heden verontreinigd,
30Διατοῦτο εἰπὸν πρὸς τὸν οἶκον τοῦ Ἰσραὴλ, τάδε λέγει Κύριος, εἰ ἐν ταῖς ἀνομίαις τῶν πατέρων ὑμῶν ὑμεῖς μιαίνεσθε, καὶ ὀπίσω τῶν βδελυγμάτων αὐτῶν ὑμεῖς ἐκπορνεύετε,
31door uw gaven te brengen en uw kinderen door het vuur te doen gaan? En zou Ik mij dan door u laten raadplegen, huis van Israël? Zowaar Ik leef, zegt Jahweh de Heer, Ik laat Mij door u niet raadplegen!
31καὶ ἐν ταῖς ἀπαρχαῖς τῶν δομάτων ὑμῶν, ἐν τοῖς ἀφορισμοῖς οἷς ὑμεῖς μιαίνεσθε ἐν πᾶσι τοῖς ἐνθυμήμασιν ὑμῶν ἕως τῆς σήμερον ἡμέρας, καὶ ἐγὼ ἀποκριθῶ ὑμῖν οἶκος τοῦ Ἰσραήλ; Ζῶ ἐγὼ, λέγει Κύριος, εἰ ἀποκριθήσομαι ὑμῖν, καὶ εἰ ἀναβήσεται ἐπὶ τὸ πνεῦμα ὑμῶν τοῦτο.
32Waarachtig: de verlangens van u zullen niet worden bevredigd, van u die zegt: wij willen hout en steen dienen, evenals de volken, evenals de stammen van andere landen.
32Καὶ οὐκ ἔσται ὃν τρόπον ὑμεῖς λέγετε, ἐσόμεθα ὡς τὰ ἔθνη, καὶ ὡς αἱ φυλαὶ τῆς γῆς, τοῦ λατρεύειν ξύλοις καὶ λίθοις.
33Zowaar Ik leef, zegt Jahweh, de Heer; met krachtige hand, met uitgestrekte arm en in vlagen van toorn zal Ik u mijn macht doen gevoelen.
33Διατοῦτο, ζῶ ἐγὼ, λέγει Κύριος, ἐν χειρὶ κραταιᾷ καὶ ἐν βραχίονι ὑψηλῷ καὶ ἐν θυμῷ κεχυμένῳ βασιλεύσω ἐφʼ ὑμᾶς,
34Ik zal u wegvoeren uit de volken, en u samenbrengen uit de landen waarover ge verstrooid zijt, met krachtige hand, met uitgestrekte arm, en in vlagen van toorn.
34καὶ ἐξάξω ὑμᾶς ἐκ τῶν λαῶν, καὶ εἰσδέξομαι ὑμᾶς ἐκ τῶν χωρῶν οὗ διεσκορπίσθητε ἐν αὐταῖς, ἐν χειρὶ κραταιᾷ καὶ ἐν βραχίονι ὑψηλῷ καὶ ἐν θυμῷ κεχυμένῳ.
35Naar de woestijn der volken zal Ik u brengen, daar zal Ik u vonnissen van man tot man.
35Καὶ ἄξω ὑμᾶς εἰς τὴν ἔρημον τῶν λαῶν, καὶ διακριθήσομαι πρὸς ὑμᾶς ἐκεῖ πρόσωπον κατὰ προσώπον.
36Zoals Ik in de woestijn van Egypte uw vaderen gevonnist heb, zo zal Ik u vonnissen, zegt Jahweh, de Heer.
36Ὃν τρόπον διεκρίθην πρὸς τοὺς πατέρας ὑμῶν ἐν τῇ ἐρήμῳ γῆς Αἰγύπτου, οὕτως κρινῶ ὑμᾶς, λέγει Κύριος.
37Onder de knuppel zal Ik u door laten gaan en tuchtigen.
37Καὶ διάξω ὑμᾶς ὑπὸ τὴν ῥάβδον μου, καὶ εἰσάξω ὑμᾶς ἐν ἀριθμῷ.
38Zo zal Ik uit u verwijderen oproerlingen en kwaadwilligen; uit het land waar ze als vreemden vertoeven, zal Ik ze uitleiden, maar in het land van Israël komen ze niet. Zo zult ge erkennen, dat Ik Jahweh ben!
38Καὶ ἐκλέξω ἐξ ὑμῶν τοὺς ἀσεβεῖς καὶ τοὺς ἀφεστηκότας, διότι ἐκ τῆς παροικεσίας αὐτῶν ἐξάξω αὐτοὺς, καὶ εἰς τὴν γῆν τοῦ Ἰσραὴλ οὐκ εἰσελεύσονται· καὶ ἐπιγνώσεσθε διότι ἐγὼ Κύριος Κύριος.
39Maar gij, huis van Israël, spreekt Jahweh, de Heer: werpt al uw schandgoden weg, en luistert voortaan naar Mij. Dan zult ge mijn heilige Naam met uw gaven en door uw schandgoden niet meer ontwijden.
39Καὶ ὑμεῖς οἶκος Ἰσραὴλ, τάδε λέγει Κύριος Κύριος, ἕκαστος τὰ ἐπιτηδεύματα αὐτοῦ ἐξάρατε, καὶ μετὰ ταῦτα εἰ ὑμεῖς εἰσακούετέ μου, καὶ τὸ ὄνομά μου τὸ ἅγιον οὐ βεβηλώσετε οὐκέτι ἐν τοῖς δώροις ὑμῶν καὶ ἐν τοῖς ἐπιτηδεύμασιν ὑμῶν·
40Want op mijn heilige berg, op Israëls verheven top, zegt Jahweh, de Heer, daar zal heel het huis van Israël Mij dienen; daar zal Ik mijn vreugde aan hen beleven, daar naar uw gaven verlangen, naar uw eerstelingoffers met alles wat ge Mij toewijdt.
40Διότι ἐπι τοῦ ὄρους τοῦ ἁγίου μου, ἐπʼ ὄρους ὑψηλοῦ, λέγει Κύριος Κύριος, ἐκεῖ δουλεύσουσί μοι πᾶς οἶκος Ἰσραὴλ εἰς τέλος· καὶ ἐκεῖ προσδέξομαι, καὶ ἐκεῖ ἐπισκέψομαι τὰς ἀπαρχὰς ὑμῶν, καὶ τὰς ἀπαρχὰς τῶν ἀφορισμῶν ὑμῶν, ἐν πᾶσι τοῖς ἁγιάσμασιν ὑμῶν.
41Als aan een welriekende geur zal Ik aan u mijn vreugde beleven, als Ik u heb weggevoerd uit de volken, en u heb samengebracht uit de landen waarover gij verstrooid zijt; want zo zal Ik door u mijn heiligheid bewijzen in de ogen der volken.
41Ἐν ὀσμῇ εὐωδίας προσδέξομαι ὑμᾶς, ἐν τῷ ἐξαγαγεῖν με ὑμᾶς ἐκ τῶν λαῶν, καὶ εἰσδέχεσθαι ὑμᾶς ἐκ τῶν χωρῶν ἐν αἷς διεσκορπίσθητε ἐν αὐταῖς, καὶ ἁγιασθήσομαι ἐν ὑμῖν κατʼ ὀφθαλμοὺς τῶν λαῶν.
42Zo zult ge erkennen, dat Ik Jahweh ben. En als Ik u op Israëls grondgebied heb gebracht, in het land, dat Ik met opgestoken hand aan uw vaderen beloofd heb,
42Καὶ ἐπιγνώσεσθε διότι ἐγὼ Κύριος, ἐν τῷ εἰσαγαγεῖν με ὑμᾶς εἰς τὴν γῆν τοῦ Ἰσραὴλ, εἰς τὴν γῆν εἰς ἣν ᾖρα τὴν χεῖρά μου τοῦ δοῦναι αὐτὴν τοῖς πατράσιν ὑμῶν.
43dan zult ge daar terugdenken aan uw gedrag en uw daden, waardoor ge verontreinigd werdt; dan zal de schande op uw gelaat te lezen staan om al uw vroegere boosheid.
43Καὶ μνησθήσεσθε ἐκεῖ τὰς ὁδοὺς ὑμῶν, καὶ τὰ ἐπιτηδεύματα ὑμῶν ἐν οἷς ἐμιαίνεσθε ἐν αὐτοῖς, καὶ κόψεσθε τὰ πρόσωπα ὑμῶν ἐν πάσαις ταῖς κακίαις ὑμῶν.
44Zo zult ge, volk van Israël, erkennen, dat Ik Jahweh ben, doordat Ik met u gehandeld heb terwille van mijn Naam, en niet volgens uw slecht gedrag en uw boze daden, zegt Jahweh, de Heer.
44Καὶ ἐπιγνώσεσθε διότι ἐγὼ Κύριος, ἐν τῷ ποιῆσαί με οὕτως ὑμῖν, ὅπως τὸ ὄνομά μου μὴ βεβηλωθῇ κατὰ τὰς ὁδοὺς ὑμῶν τὰς κακὰς, καὶ κατὰ τὰ ἐπιτηδεύματα ὑμῶν τὰ διεφθαρμένα, λέγει Κύριος.
45Het woord van Jahweh werd tot mij gericht:
no verse 45 in this text
46Mensenkind, wend uw gelaat naar het zuiden, en laat uw woord kletteren tegen het zuiden; profeteer tegen het woud in het zuiden,
no verse 46 in this text
47en zeg tot het woud in het zuiden: Luister naar het woord van Jahweh! Zo spreekt Jahweh, de Heer: Zie, Ik ga in u een vuur ontsteken, dat al uw groene en dorre bomen verteren zal. De laaiende vlam zal niet uitdoven; aller gelaat van zuid tot noord zal erdoor worden geschroeid.
no verse 47 in this text
48Zo zullen alle schepselen inzien, dat Ik, Jahweh, het aangestoken heb! Neen, geblust wordt het niet!
no verse 48 in this text
49Maar ik sprak: Ach, Heer Jahweh, ze zeggen van mij: hij spreekt ook altijd in raadsels!
no verse 49 in this text

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.