Ezechiel 16
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Septuagint (Brenton Greek text, with Apocrypha)
1Het woord van Jahweh werd tot mij gericht:
1Καὶ ἐγένετο λόγος Κυρίου πρὸς μὲ, λέγων,
2Mensenkind, ge moet Jerusalem haar gruwel doen kennen
2υἱὲ ἀνθρώπου, διαμάρτυραι τῇ Ἱερουσαλὴμ τὰς ἀνομίας αὐτῆς,
3en zeggen: Zo spreekt Jahweh, de Heer, tot Jerusalem! Uw land van afkomst en geboorte is Kanaän; uw vader was een Amoriet, uw moeder een Hittiet.
3καὶ ἐρεῖς, Τάδε λέγει Κύριος τῇ Ἱερουσαλὴμ, ἡ ῥίζα σου καὶ ἡ γένεσίς σου ἐκ γῆς Χαναάν· ὁ πατήρ σου Ἀμοῤῥαῖος, καὶ ἡ μήτηρ σου Χετταία.
4Op deze manier zijt ge ter wereld gekomen: Toen ge geboren werdt, heeft niemand uw navelstreng afgeknipt, of u met water schoongewassen; met zout werdt ge niet ingewreven, niet in doeken gewikkeld.
4Καὶ ἡ γένεσίς σου ἐν ᾗ ἡμέρᾳ ἐτέχθης, οὐκ ἔδησας τοὺς μαστοὺς σου, καὶ ἐν ὕδατι οὐκ ἐλούσθης, οὐδὲ ἁλὶ ἡλίσθης, καὶ ἐν σπαργάνοις οὐκ ἐσπαργανώθης,
5Geen oog ontfermde zich over u, om uit medelijden u een van die zorgen te wijden. Neen, op de dag van uw geboorte werdt ge te vondeling gelegd op het vrije veld, omdat men uw leven niets waard vond.
5οὐδὲ ἐφείσατο ὁ ὀφθαλμός μου ἐπὶ σοὶ, τοῦ ποιῆσαί σοι ἓν ἐκ πάντων τούτων, τοῦ παθεῖν τι ἐπὶ σοί· καὶ ἀπεῤῥίφης ἐπὶ πρόσωπον τοῦ πεδίου τῇ σκολιότητι τῆς ψυχῆς σου ἐν ἡμέρᾳ ᾗ ἐτέχθης.
6Toen kwam Ik u voorbij, en zag u spartelen in uw bloed. Ik sprak tot u, terwijl ge met bloed waart besmeurd: Blijf leven!
6Καὶ διῆλθον ἐπὶ σὲ, καὶ ἴδον σε πεφυρμένην ἐν τῷ αἵματί σου· καὶ εἶπά σοι, ἐκ τοῦ αἵματός σου ζωὴ,
7fris als een veldbloem maakte Ik u. Ge groeide op en werdt groot; ge bereikte de leeftijd der stonden: uw borsten waren ontwikkeld, uw haar begon te groeien; maar ge waart nog altijd bloot en naakt.
7πληθύνου, καθὼς ἡ ἀνατολὴ τοῦ ἀγροῦ δέδωκά σε· καὶ ἐπληθύνθης καὶ ἐμεγαλύνθης, καὶ εἰσῆλθες εἰς πόλεις πόλεων· οἱ μαστοί σου ἀνωρθώθησαν, καὶ ἡ θρίξ σου ἀνέτειλε· σὺ δὲ ἦσθα γυμνὴ καὶ ἀσχημονοῦσα.
8Weer kwam Ik langs u, en bemerkte, dat de tijd der liefde voor u was gekomen; Ik spreidde mijn mantelslip over u uit, en bedekte uw schaamte. Ik zwoer u trouw, en sloot een verbond met u, zegt Jahweh, de Heer; zo werdt gij de mijne!
8Καὶ διῆλθον διὰ σοῦ, καὶ ἴδον σε· καὶ ἰδοὺ καιρός σου, καὶ καιρὸς καταλυόντων· καὶ διεπέτασα τὰς πτέρυγάς μου ἐπὶ σὲ, καὶ ἐκάλυψα τὴν ἀσχημοσύνην σου, καὶ ὤμοσά σοι· καὶ εἰσῆλθον ἐν διαθήκῃ μετὰ σοῦ, λέγει Κύριος· καὶ ἐγένου μοι.
9Ik wies u met water, spoelde uw bloed van u af, en zalfde u met olie;
9Καὶ ἔλουσά σε ἐν ὕδατι, καὶ ἀπέπλυνα τὸ αἷμά σου ἀπὸ σοῦ, καὶ ἔχρισά σε ἐν ἐλαίῳ.
10Ik deed u bonte kleren aan, gaf u schoeisel van het fijnste leder, bond u een hoofddoek om van damast, hulde u in een sluier van zijde.
10Καὶ ἐνέδυσά σε ποικίλα, καὶ ὑπέδυσά σε ὑάκινθον· καὶ ἔζωσά σε βύσσῳ καὶ περιέβαλόν σε τριχαπτῳ,
11Ik smukte u met sieraden, deed armbanden aan uw polsen, een snoer om uw hals;
11καὶ ἐκόσμησά σε κόσμῳ, καὶ περιέθηκα ψέλλια περὶ τὰς χεῖράς σου, καὶ κάθεμα περὶ τὸν τράχηλόν σου·
12Ik gaf u een ring door uw neus en hangers aan uw oren een prachtige kroon op uw hoofd.
12Καὶ ἔδωκα ἐνώτιον περὶ τὸν μυκτῆρά σου, καὶ τροχίσκους ἐπὶ τὰ ὦτά σου, καὶ στέφανον καυχήσεως ἐπὶ τὴν κεφαλήν σου·
13Zo waart ge getooid met goud en zilver; uw kleren waren van damast en zijde en bonte weefsels. Het fijnste meel en honing en olie mocht ge eten. Ge werdt een stralende schoonheid, geschikt voor het koningschap!
13Καὶ ἐκοσμήθης χρυσίῳ καὶ ἀργυρίῳ, καὶ τὰ περιβόλαιά σου βύσσινα, καὶ τριχαπτὰ, καὶ ποικίλα· σεμίδαλιν καὶ ἔλαιον καὶ μέλι ἔφαγες, καὶ ἐγένου καλὴ σφόδρα.
14Van uw schoonheid ging een roep uit onder de volken, want die was volmaakt door de opschik, waarmee Ik u begiftigd had, spreekt Jahweh, de Heer!
14Καὶ ἐξῆλθέ σου ὄνομα ἐν τοῖς ἔθνεσιν ἐν τῷ κάλλει σου, διότι συντετελεσμένον ἦν ἐν εὐπρεπείᾳ ἐν τῇ ὡραιότητι ᾗ ἔταξα ἐπὶ σὲ, λέγει Κύριος.
15Maar ge werdt vrijmoedig met uw schoonheid, en uw gevierdheid hadt ge veil. Iedereen, die voorbij kwam, hebt ge uw lust getoond, aan hem u overgegeven.
15Κατεπεποίθεις ἐν τῷ κάλλει σου, καὶ ἐπόρνευσας ἐπὶ τῷ ὀνόματί σου, καὶ ἐξέχεας τὴν πορνείαν σου ἐπὶ πάντα πάροδον·
16Ge hebt uw kleren misbruikt, om er bonte hoogten van te maken: daarop hebt ge de deerne gespeeld, onbeschaamd en onbevreesd.
16Καὶ ἔλαβες ἐκ τῶν ἱματίων σου, καὶ ἐποίησας σεαυτῇ εἴδωλα ῥαπτὰ, καὶ ἐξεπόρνευσας ἐπʼ αὐτὰ, καὶ οὐ μὴ εἰσέλθῃς οὐδὲ μὴ γένηται.
17Ge hebt uw sieraden gehaald, het goud en zilver, dat Ik u had geschonken; ge hebt er mannenbeelden van gemaakt, en daarmee ontucht bedreven.
17Καὶ ἔλαβες τὰ σκεύη τῆς καυχήσεώς σου ἐκ τοῦ χρυσίου μου καὶ ἐκ τοῦ ἀργυρίου μου, ἐξ ὧν ἔδωκά σοι, καὶ ἐποίησας σεαυτῇ εἰκόνας ἀρσενικὰς, καὶ ἐξεπόρνευσας ἐν αὐταῖς.
18Ge hebt uw bonte gewaden genomen, en ze daarmee bekleed; mijn olie en wierook hebt ge er voor neergezet.
18Καὶ ἔλαβες τὸν ἱματισμὸν τὸν ποικίλον σου, καὶ περιέβαλες αὐτὰς, καὶ τὸ ἔλαιόν μου καὶ τὸ θυμίαμά μου ἔθηκας πρὸ προσώπου αὐτῶν.
19Het voedsel dat Ik u gegeven had, het fijnste meel, olie en honing, die Ik u tot spijs had geschonken, hebt ge hun aangeboden tot een liefelijke offergeur: zo was het, spreekt Jahweh, de Heer.
19Καὶ τοὺς ἄρτοὺς μου οὓς ἔδωκά σοι, σεμίδαλιν καὶ ἔλαιον καὶ μέλι ἐψώμισά σε, καὶ ἔθηκας αὐτὰ τρὸ τροσώπου αὐτῶν εἰς ὀσμὴν εὐωδίας· καὶ ἐγένετο, λέγει Κύριος.
20Zelfs hebt ge de zonen en de dochters, die ge Mij geschonken hadt, niet gespaard, maar ze hun ten offer gebracht, opdat zij ze konden verslinden. Was uw ontucht nog niet erg genoeg,
20Καὶ ἔλαβες τοὺς υἱούς σου καὶ τὰς θυγατέρας σου ἃς ἐγέννησας, καὶ ἔθυσας αὐτοῖς εἰς ἀνάλωσιν· ὡς μικρὰ ἐξεπόρνευσας,
21dat ge mijn zonen moest slachten, ze door het vuur deedt gaan, en ze zo hebt opgeofferd?
21καὶ ἔσφαξας τὰ τέκνα σου, καὶ ἔδωκας αὐτὰ ἐν τῷ ἀποτροπιάζεσθαί σε αὐτὰ αὐτοῖς·
22Nooit hebt ge bij al die gruwelen en ontucht eens teruggedacht aan de dagen van uw jeugd, toen ge naakt waart en ontbloot, en in uw bloed lag te trappelen.
22Τοῦτο παρὰ πᾶσαν τὴν πορνείαν σου, καὶ οὐκ ἐμνήσθης τῆς νηπιότητός σου, ὅτε ἦσθα γυμνὴ καὶ ἀσχημονοῦσα, πεφυρμένη ἐν τῷ αἵματί σου ἔζησας.
23Na al die boosheid: wee u, wee u! spreekt Jahweh, de Heer:
23Καὶ ἐγένετο μετὰ πάσας τὰς κακίας σου, λέγει Κύριος,
24hebt ge u een bordeel gebouwd, en uw kraam geopend in elke straat;
24καὶ ᾠκοδόμησας σεαυτῇ οἴκημα πορνικὸν, καὶ ἐποίησας σεαυτῇ ἔκθεμα ἐν πάσῃ πλατείᾳ,
25op elke straathoek hebt ge uw kraam gebouwd, uw schoonheid onteerd, aan elken voorbijganger u aangeboden, en voortdurend ontucht gepleegd.
25καὶ ἐπʼ ἀρχῆς πάσης ὁδοῦ ᾠκοδόμησας τὰ πορνεῖά σου, καὶ ἐλυμῄνω τὸ κάλλος σου· καὶ διήγαγες τὰ σκέλη σου παντὶ παρόδῳ καὶ ἐπλήθυνας τὴν πορνείαν σου,
26Ge hebt ontucht bedreven met de Egyptenaren, uw geile buren; voortdurend hebt ge ontucht gepleegd, om Mij te tergen.
26καὶ ἐξεπόρνευσας ἐπὶ τοὺς υἱοὺς Αἰγύπτου τοὺς ὁμοροῦντάς σοι τοὺς μεγαλοσάρκους, καὶ πολλαχῶς ἐξεπόρνευσας τοῦ παροργίσαι με.
27Zie, toen strekte Ik mijn hand al naar u uit, Ik kortte uw erfdeel in, en gaf u over aan de haat van uw vijandinnen, aan de Filistijnse meisjes, die zich schaamden over uw schandelijk gedrag.
27Ἐὰν δὲ ἐκτείνω τὴν χεῖρά μου ἐπὶ σὲ, καὶ ἐξαρῶ τὰ νόμιμά σου, καὶ παραδώσω εἰς ψυχὰς μισούντων σε, θυγατέρας ἀλλοφύλων τὰς ἐκκλινούσας σε ἐκ τῆς ὁδοῦ σου ἧς ἠσέβησας.
28Daarna hebt ge u aan de Assyriërs vergooid, omdat ge nog niet bevredigd waart; ook met hen hebt ge ontucht bedreven, en ge kondt er maar niet genoeg van krijgen.
28Καὶ ἐξεπόρνευσας ἐπὶ τὰς θυγατέρας Ἀσσοὺρ, καὶ οὐδʼ οὕτως ἐνεπλήσθης, καὶ ἐξεπόρνευσας καὶ οὐκ ἐνεπίπλω.
29Zonder ophouden hebt ge ontucht bedreven met het handelsland Chaldea, maar ook daar werdt ge niet bevredigd.
29Καὶ ἐπλήθυνας τὰς διαθήκας σου πρὸς γῆν Χαλδαίων, καὶ οὐδε ἐν τούτοις ἐνεπλήσθης.
30Hoe heftig was uw hartstocht, zegt Jahweh, de Heer, dat ge dit alles, dit gedoe van een onbeschaamde deerne, volhieldt,
30Τί διαθῶ τὴν θυγατέρα σου, λέγει Κύριος, ἐν τῷ ποιῆσαί σε πάντα ταῦτα ἔργα γυναικὸς πόρνης; καὶ ἐξεπόρνευσας τρισσῶς ἐν ταῖς θυγατράσι σου·
31dat ge uw bordeel hebt gebouwd op elke straathoek, aan elke weg uw kraam hebt geopend, en toch geen echte deerne waart, die het enkel voor geld doet.
31Τὸ πορνεῖον ᾠκοδόμησας ἐν πάσῃ ἀρχῇ ὁδοῦ, καὶ τὴν βάσιν σου ἐποίησας ἐν πάσῃ πλατείᾳ· καὶ ἐγένου ὡς πόρνη συνάγουσα μισθώματα.
32O overspelige vrouw, in plaats van uw eigen man neemt ge vreemden;
32Ἡ γυνὴ ἡ μοιχωμένη ὁμοία σοι, παρὰ τοῦ ἀνδρὸς αὐτῆς λαμβάνουσα μισθώματα, πᾶσι τοῖς ἐκπορνεύσασαιν αὐτὴν προσεδίδου μισθώματα·
33en terwijl men aan alle deernen een vergoeding geeft, hebt gij geschenken aan al uw minnaars uitgedeeld: ge hebt ze omgekocht, om van alle kanten met ontuchtige bedoelingen tot u te komen.
33καὶ σὺ δέδωκας μισθώματα πᾶσι τοῖς ἐρασταῖς σου, καὶ ἐφόρτιζες αὐτοὺς τοῦ ἔρχεσθαι πρὸς σὲ κυκλόθεν ἐν τῇ πορνείᾳ σου.
34Ge deedt juist het omgekeerde van de andere vrouwen: ge waart een deerne, maar men behoefde u niet achterna te lopen; gij gaaft geschenken, maar u werd geen vergoeding gegeven; juist het omgekeerde hebt ge gedaan!
34Καὶ ἐγένετο ἐν σοὶ διεστραμμένον παρὰ τὰς γυναῖκας ἐν τῇ πορνείᾳ σου, καὶ μετὰ σοῦ πεπορνεύκασιν, ἐν τῷ προσδιδόναι σε μισθώματα, καὶ σοὶ μισθώματα οὐκ ἐδόθη, καὶ ἐγένετο ἐν σοὶ διεστραμμένα.
35Daarom deerne, luister naar het woord van Jahweh!
35Διατοῦτο πόρνη ἄκουε λόγον Κυρίου.
36Dit zegt Jahweh, de Heer: Omdat ge voor uw minnaars en voor al uw gruwelijke schandgoden in uw ontucht uw schaamte ontbloot en uw naaktheid onthuld hebt, en het bloed van uw zonen aan hen hebt geofferd,
36Τάδε λέγει Κύριος, ἀνθʼ ὧν ἐξέχεας τὸν χαλκόν σου, καὶ ἀποκαλυφθήσεται ἡ αἰσχύνη σου ἐν τῇ πορνείᾳ σου πρὸς τοὺς ἐραστάς σου, καὶ εἰς πάντα τὰ ἐνθυμήματα τῶν ἀνομιῶν σου, καὶ ἐν τοῖς αἵμασι τῶν τέκνων σου ὧν ἔδωκας αὐτοῖς·
37daarom breng Ik al uw minnaars bijeen, voor wie ge zo lief waart; zowel hen die ge bemind hebt, als hen die ge hebt achtergesteld. Ik breng ze van alle kanten rond u samen, om voor hen uw schaamte te onthullen, zodat ze u in heel uw naaktheid kunnen aanschouwen!
37Διατοῦτο ἰδοὺ ἐγὼ ἐπισυνάγω πάντας τοὺς ἐραστάς σου ἐν οἷς ἐπεμίγης ἐν αὐτοῖς, καὶ πάντας οὓς ἠλάπησας, σὺν πᾶσιν οἷς ἐμίσεις, καὶ συνάξω αὐτοὺς ἐπὶ σὲ κυκλόθεν, καὶ ἀποκαλύψω τὰς κακίας σου πρὸς αὐτούς, καὶ ὄψονται πᾶσαν τὴν αἰσχύνην σου,
38Ik zal aan u het vonnis voltrekken van een vrouw, die trouw breekt en bloed vergiet, en zo mijn toorn en jaloezie op u koelen.
38καὶ ἐκδικήσω σε ἐκδικήσει μοιχαλίδος, καὶ θήσω σε ἐν αἵματι θυμοῦ καὶ ζήλου.
39Ik zal u aan hen overleveren; zij zullen uw bordeel afbreken, uw kramen omvertrekken, u de kleren van het lijf rukken, uw sieraden afnemen, en u naakt en bloot laten liggen.
39Καὶ παραδώσω σε εἰς χεῖρας αὐτῶν, καὶ κατασκάψουσι τὸ πορνεῖόν σου, καὶ καθελοῦσι τὴν βάσιν σου, καὶ ἐκδύσουσί σε τὰ ἱμάτιά σου, καὶ λήψονται τὰ σκεύη τῆς καυχήσεώς σου· καὶ ἀφήσουσί σε γυμνὴν, καὶ ἀσχημονοῦσαν.
40Zij zullen een vergadering over u houden, u met keien stenigen, en met hun zwaard u in stukken houwen.
40Καὶ ἄξουσιν ἐπὶ σὲ ὄχλους, καὶ λιθοβολήσουσί σε ἐν λίθοις, καὶ κατασφάξουσί σε ἐν τοῖς ξίφεσιν αὐτῶν.
41Dan steken ze uw huizen in brand, en zullen ten aanschouwen van talrijke vrouwen het vonnis aan u voltrekken. Zo maak Ik een einde aan uw ontucht, en zult ge geen geschenken meer uitdelen!
41Καὶ ἐυπρήσουσι τοὺς οἴκους σου πυρὶ, καὶ ποιήσουσιν ἐν σοὶ ἐκδικήσεις ἐνώπιον γυναικῶν πολλῶν· καὶ ἀποστρέψω σε ἐκ πορνείας, καὶ μισθώματα οὐ μὴ δώσω οὐκέτι.
42Ik zal mijn woede op u koelen, mijn jaloezie op u stillen, en Ik zal voldaan zijn en niet meer ontstemd.
42Καὶ ἐπαφήσω τὸν θυμόν μου ἐπὶ σὲ, καὶ ἐξαρθήσεται ὁ ζῆλός μου ἐκ σοῦ· καὶ ἀναπαύσομαι, καὶ οὐ μὴ μεριμνήσω οὐκέτι.
43Omdat ge nooit eens terugdacht aan de dagen van uw jeugd, maar Mij door dat alles hebt blijven prikkelen, daarom zal ook Ik uw gedrag op uw hoofd laten neerkomen, spreekt Jahweh, de Heer, en zult ge bij al uw gruwelen tenminste geen ontucht meer doen!
43Ἀνθʼ ὧν οὐκ ἐμνήσθης τῆς νηπιότητός σου, καὶ ἐλύπεις με ἐν πᾶσι τούτοις· καὶ ἰδοὺ ἐγὼ τὰς ὁδούς σου εἰς κεφαλήν σου δέδωκα, λέγει Κύριος· καὶ οὕτως ἐποίησας τὴν ἀσέβειαν ἐπὶ πάσαις ταῖς ἀνομίαις σου.
44Zie, elke spreukendichter past op u het gezegde toe: Zo moeder, zo dochter!
44Ταῦτά ἐστι πάντα ὅσα εἶπαν κατὰ σοῦ ἐν παραβολῇ, λέγοντες, καθὼς ἡ μήτηρ,
45Een echte dochter zijt ge van uw moeder, die haar man en haar kinderen verliet; ge zijt het evenbeeld van uw zusters, die niets om haar man en om haar kinderen gaven. Uw moeder was een Hittiet, uw vader een Amoriet.
45καὶ ἡ θυγάτηρ θυγάτηρ τῆς μητρός σου· σὺ εἶ ἡ ἀπωσαμένη τὸν ἄνδρα αὐτῆς καὶ τὰ τέκνα αὐτῆς, καὶ ἀδελφαὶ τῶν ἀδελφῶν σου αἱ ἀπωσάμεναι τοὺς ἄνδρας αὐτῶν καὶ τὰ τέκνα αὐτῶν· ἡ μήτηρ ὑμῶν Χετταία, καὶ ὁ πατὴρ Ἀμοῤῥαῖος.
46Uw oudste zuster, die aan uw linkerhand woont, is Samaria met haar dochters; uw jongste zuster, die aan uw rechterhand woont, is Sodoma met haar dochters.
46Ἡ ἀδελφὴ ὑμῶν ἡ πρεσβυτέρα Σαμάρεια, αὐτὴ καὶ αἱ θυγατέρες αὐτῆς, ἡ κατοικοῦσα ἐξ εὐωνύμων σου· καὶ ἡ ἀδελφή σου ἡ νεωτέρα σου, ἡ κατοικοῦσα ἐκ δεξιῶν σου, Σόδομα καὶ αἱ θυγατέρες αὐτῆς.
47Ge hebt u niet tevreden gesteld, in haar voetspoor te treden, en gruwelen als zij te bedrijven: heel uw gedrag was stuitender nog dan het hare!
47Καὶ οὐδʼ ὡς ἐν ταῖς ὁδοῖς αὐτῶν ἐπορεύθης, οὐδὲ κατὰ τὰς ἀνομίας αὐτῶν ἐποίησας παρὰ μικρὸν, καὶ ὑπέρκεισαι αὐτὰς ἐν πάσαις ταῖς ὁδοῖς σου.
48Zo waar Ik leef, zegt Jahweh, de Heer: Uw zuster Sodoma met haar dochters heeft het zo bont niet gemaakt als gij met uw dochters.
48Ζῶ ἐγὼ, λέγει Κύριος, εἰ πεποίηκε Σόδομα αὕτη καὶ αἱ θυγατέρες αὐτῆς, ὃν τρόπον ἐποίησας σὺ καὶ αἱ θυγατέρες σου.
49Dit was enkel de zonde van Sodoma, uw zuster: zij met haar dochters leden aan overmoed, aan zwelgerij en zorgeloze rust; den misdeelde en behoeftige ondersteunden zij niet;
49Πλὴν τοῦτο τὸ ἀνόμημα Σοδόμων τῆς ἀδελφῆς σου, ὑπερηφανία, ἐν πλησμονῇ ἄρτων καὶ ἐν εὐθηνίᾳ ἐσπατάλων αὕτη καὶ αἱ θυγατέρες αὐτῆς· τοῦτο ὑπῆρχεν αὐτῇ καὶ ταῖς θυγατράσιν αὐτῆς, καὶ χεῖρα πτωχοῦ καὶ πένητος οὐκ ἀντελαμβάνοντο.
50ze waren hovaardig, en bedreven gruwelen in mijn ogen. Toch heb Ik ze verstoten, zoals ge gezien hebt.
50Καὶ ἐμεγαλαύχουν, καὶ ἐποίησαν ἀνομήματα ἐνώπιον ἐμοῦ· καὶ ἐξῇρα αὐτὰς καθὼς ἴδον.
51Ook Samaria heeft nog niet de helft misdaan van wat gij hebt bedreven. Ge hebt veel erger gruwelen bedreven dan zij beiden, en door uw stuitend gedrag uw zusters nog in een gunstig daglicht geplaatst.
51Καὶ Σαμάρεια κατὰ τὰς ἡμίσεις τῶν ἁμαρτιῶν σου οὐχ ἥμαρτε· καὶ ἐπλήθυνας τὰς ἀνομίας σου ὑπὲρ αὐτὰς, καὶ ἐδικαίωσας τὰς ἀδελφάς σου ἐν πάσαις ταῖς ἀνομίαις σου αἷς ἐποίησας.
52Draag dan ook gij uw schande, gij die voor uw zusters in de bres zijt gesprongen; want door uw veel zwaardere zonden zijn zij bij u vergeleken onschuldig. Schaam u dus en draag uw schande, dat ge uw zusters nog verontschuldigt.
52Καὶ σὺ κόμισαι βάσανόν σου, ἐν ᾗ ἔφθειρας τὰς ἀδελφάς σου ἐν ταῖς ἁμαρτίαις σου αἷς ἠνόμησας ὑπὲρ αὐτὰς, καὶ ἐδικαίωσας αὐτὰς ὑπὲρ σεαυτήν· καὶ σὺ αἰσχύνθητι, καὶ λάβε τὴν ἀτιμίαν σου ἐν τῷ δικαιῶσαί σε τὰς ἀδελφάς σου.
53Ik zal haar lot ten beste keren: het lot van Sodoma met haar dochters, en het lot van Samaria met haar dochters,
53Καὶ ἀποστρέψω τὰς ἀποστροφὰς αὐτῶν, τὴν ἀποστροφὴν Σοδόμων καὶ τῶν θυγατέρων αὐτῆς· καὶ ἀποστρέψω τὴν ἀποστροφὴν Σαμαρείας καὶ τῶν θυγατέρων αὐτῆς· καὶ ἀποστρέψω τὴν ἀποστροφήν σου ἐν μέσῳ αὐτῶν·
54opdat ge uw schande moogt dragen en u moogt schamen over al wat ge misdreven hebt, en gij die beiden berusting kunt brengen.
54Ὅπως κομίσῃ τὴν βάσανόν σου, καὶ ἀτιμωθήσῃ ἐκ πάντων ὧν ἐποίησας ἐν τῷ παροργίσαι με.
55Uw zuster Sodoma zal met haar dochters in haar vroegere staat worden hersteld, en Samaria zal met haar dochters terugkeren tot haar vroegere toestand.
55Καὶ ἡ ἀδελφή σου Σόδομα καὶ αἱ θυγατέρες αὐτῆς ἀποκατασταθήσονται καθὼς ἦσαν ἀπʼ ἀρχῆς· καὶ σὺ καὶ αἱ θυγατέρες σου ἀποκατασταθήσεσθε καθὼς ἀπʼ ἀρχῆς ἦτε.
56Was uw zuster Sodoma niet tot een schimpwoord op uw lippen, ten tijde van uw overmoed,
56Καὶ εἰ μὴ ἦν Σόδομα ἡ ἀδελφή σου εἰς ἀκοὴν ἐν τῷ στόματί σου ἐν ταῖς ἡμέραις ὑπερηφανίας σου·
57voordat uw schaamte ontbloot werd? Nu zijt ge net als zij de spot der vrouwen van Edom met heel zijn omgeving, de spot der Filistijnse vrouwen, die van alle kanten u honen.
57πρὸ τοῦ ἀποκαλυφθῆναι τὰς κακίας σου, ὃν τρόπον νῦν ὄνειδος εἶ θυγατέρων Συρίας, καὶ πάντων τῶν κύκλῳ αὐτῆς θυγατέρων ἀλλοφύλων τῶν περιεχουσῶν σε κύκλῳ.
58Uw ontucht en uw schanddaad, ge zult ze dragen, zegt Jahweh, de Heer.
58Τὰς ἀσεβείας σου καὶ τὰς ἀνομίας σου σὺ κεκόμισαι αὐτὰς, λέγει Κύριος.
59Zo spreekt Jahweh, de Heer: Eerst als Ik met u gedaan heb, zoals gij met Mij hebt gedaan: met u, die de eed zo gering acht, dat ge het verbond hebt verbroken:
59Τάδε λέγει Κύριος, καὶ ποιήσω ἐν σοὶ καθὼς ἐποίησας, ὡς ἠτίμωσας ταῦτα τοῦ παραβῆναι τὴν διαθήκην μου.
60dan zal Ik het verbond weer gedenken, dat Ik in uw jeugd met u aanging, en zal Ik een eeuwigdurend verbond met u sluiten.
60Καὶ μνησθήσομαι ἐγὼ τῆς διαθήκης μου τῆς μετὰ σοῦ ἐν ἡμέραις νηπιότητός σου, καὶ ἀναστήσω σοι διαθήκην αἰώνιον.
61Dan zult ge met schaamte terugdenken aan uw gedrag, als Ik uw oudere zusters met uw jongere zusters neem, en ze u tot dochters geef, zonder het aan u verplicht te zijn.
61Καὶ μνησθήσῃ τὴν ὁδόν σου, καὶ ἐξατιμωθήσῃ ἐν τῷ ἀναλαβεῖν σε τὰς ἀδελφάς σου τὰς πρεσβυτέρας σου σὺν ταῖς νεωτέραις σου, καὶ δώσω αὐτάς σοι εἰς οἰκοδομὴν, καὶ οὐκ ἐκ διαθήκης σου.
62Ik zal mijn verbond met u aangaan, en gij zult erkennen, dat Ik Jahweh ben;
62Καὶ ἀναστήσω ἐγὼ τὴν διαθήκην μου μετὰ σοῦ, καὶ ἐπιγνῶσῃ ὅτι ἐγὼ Κύριος·
63opdat ge tot inkeer komt en bloost, en van schaamte geen woord durft zeggen, als Ik u alles vergeef wat ge misdreven hebt, zegt Jahweh, de Heer.
63Ὅπως μνησθῇς καὶ αἰσχυνθῇς, καὶ μὴ ᾖ σοι ἔτι ἀνοῖξαι τὸ στόμα σου ἀπὸ προσώπου τῆς ἀτιμίας σου, ἐν τῷ ἐξιλάσκεσθαί με σοὶ κατὰ πάντα ὅσα ἐποίησας, λέγει Κύριος.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.