Ezechiel 40
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Septuagint (Brenton Greek text, with Apocrypha)
1In het vijf en twintigste jaar van onze verbanning, in het begin van het jaar, op de tiende van de maand, veertien jaren na de inneming van de stad, juist op die dag raakte de hand van Jahweh mij aan. Hij bracht mij derwaarts:
1Καὶ ἐγένετο ἐν τῷ πέμπτῳ καὶ εἰκοστῷ ἔτει τῆς αἰχμαλωσίας ἡμῶν, ἐν τῷ πρώτῳ μηνὶ, δεκάτῃ τοῦ μηνὸς, ἐν τῷ τεσσαρεσκαιδεκάτῳ ἔτει μετὰ τὸ ἁλῶναι τὴν πόλιν, ἐν τῇ ἡμέρᾳ ἐκείνῃ ἐγένετο ἐπʼ ἐμὲ χεὶρ Κυρίου,
2in goddelijke gezichten bracht Hij mij naar het land Israël. Hij liet mij neer op een zeer hoge berg, en het leek alsof aan de zuidkant daarvan een stad was gebouwd.
2καὶ ἤγαγέ με ἐν ὁράσει Θεοῦ εἰς τὴν γῆν Ἰσραὴλ, καὶ ἔθηκέ με ἐπʼ ὄρος ὑψηλὸν σφόδρα, καὶ ἐπʼ αὐτῷ ὡσεὶ οἰκοδομὴ πόλεως ἀπέναντι,
3Hij bracht mij daarheen, en daar zag ik in de poort een man staan, wiens uiterlijk op brons geleek, en die in zijn hand een linnen snoer en een duimstok hield.
3Καὶ εἰσήγαγέ με ἐκεῖ· καὶ ἰδοὺ ἀνὴρ, καὶ ἡ ὅρασις αὐτοῦ ἦν ὡσεὶ ὅρασις χαλκοῦ στίλβοντος, καὶ ἐν τῇ χειρὶ αὐτοῦ ἦν σπαρτίον οἰκοδόμων, καὶ κάλαμος μέτρον, καὶ αὐτὸς εἱστήκει ἐπὶ τῆς πύλης.
4De man sprak tot mij: Mensenkind, kijk goed uit uw ogen, spits uw oren, en let aandachtig op alles wat ik u laat zien; want ge zijt hierheen gebracht om te worden ingelicht. Verkondig aan het huis Israël, al wat ge zien zult.
4Καὶ εἶπε πρὸς μὲ ὁ ἀνὴρ, Ὃν ἑώρακας υἱὲ ἀνθρώπου ἐν τοῖς ὀφθαλμοῖς σου ἴδε, καὶ ἐν τοῖς ὠσί σου ἄκουε, καὶ τάξον εἰς τὴν καρδίαν σου πάντα ὅσα ἐγὼ δεικνύω σοι, διότι ἕνεκα τοῦ δεῖξαί σοι εἰσελήλυθας ὧδε, καὶ δείξεις πάντα ὅσα σὺ ὁρᾷς τῷ οἴκῳ τοῦ Ἰσραήλ.
5En zie, buiten het tempelgebouw liep aan alle zijden een muur. De man had in zijn hand een duimstok van zes el: ellen van een el en een handbreedte. En hij mat de dikte van de muurbouw, die bedroeg één roede, en de hoogte: ook één roede.
5Καὶ ἰδοὺ περίβολος ἔξωθεν τοῦ οἴκου κύκλῳ, καὶ ἐν τῇ χειρὶ τοῦ ἀνδρὸς κάλαμος, τὸ μέτρον πηχῶν ἓξ ἐν πήχει καὶ παλαιστῆς· καὶ διεμέτρησε τὸ προτείχισμα, πλάτος ἶσον τῷ καλάμῳ, καὶ τὸ ὕψος αὐτοῦ ἶσον τῷ καλάμῳ.
6Hij bracht mij naar de poort die op het oosten ligt, ging de trap op, en mat de drempel van de poort; hij was één roede breed; ook de andere drempel was één roede breed.
6Καὶ εἰσῆλθεν εἰς τὴν πύλην τὴν βλέπουσαν κατὰ ἀνατολὰς ἐν ἑπτὰ ἀναβαθμοῖς, καὶ διεμέτρησε τὸ αἰλὰμ τῆς πύλης ἶσον τῷ καλάμῳ·
7Elke nis was één roede breed en één roede diep, en tussen de nissen was een afstand van vijf el. Ook de drempel van de poort aan gene zijde van de poorthal, aan de binnenkant, was één roede breed.
7Καὶ τὸ θεὲ ἶσον τῷ καλάμῳ τὸ μῆκος, καὶ ἶσον τῷ καλάμῳ τὸ πλάτος, καὶ τὸ αἰλὰμ ἀναμέσον τοῦ θεηλὰθ πηχῶν ἕξ· καὶ τὸ θεὲ τὸ δεύτερον, ἶσον τῷ καλάμῳ πλάτος, καὶ ἶσον τῷ καλάμῳ μῆκος, καὶ τὸ αἰλὰμ πηχέων πέντε·
8Hij mat de poorthal op,
8Καὶ τὸ θεὲ τὸ τρίτον, ἶσον τῷ καλάμῳ μῆκος, καὶ ἶσον τῷ καλάμῳ πλάτος.
9die acht el diep was; en haar deurposten, die twee el breed waren. De poorthal lag aan de binnenkant.
9Καὶ τὸ αἰλὰμ τοῦ πυλῶνος, πλησίον τοῦ αἰλὰμ τῆς πύλης πηχῶν ὀκτὼ, καὶ τὰ αἰλεῦ πηχῶν δύο· καὶ τὰ αἰλὰμ τῆς πύλης ἔσωθεν,
10De nissen van de oosterpoort lagen tegenover elkander: drie aan de ene en drie aan de andere kant; ze hadden alle drie dezelfde afmetingen, en ook de muurvlakken aan weerskanten hadden dezelfde afmetingen.
10καὶ τὰ θεὲ τῆς πύλης τοῦ θεὲ κατέναντι, τρεῖς ἔνθεν καὶ τρεῖς ἔνθεν, καὶ μέτρον ἓν τοῖς τρισί· μέτρον ἓν τοῖς αἰλὰμ ἔνθεν καὶ ἔνθεν.
11Hij nam de breedte van de poortdeur op: ze bedroeg tien el, en die van de poortweg dertien el.
11Καὶ διεμέτρησε τὸ πλάτος τῆς θύρας τοῦ πυλῶνος πηχῶν δέκα, καὶ τὸ εὖρος τοῦ πυλῶνος πηχῶν δεκατριῶν.
12Vóór de nissen was er aan weerskanten een afgesloten ruimte van één el, terwijl de nissen zowel aan de ene als aan de andere zijde zes el diep waren.
12Καὶ πῆχυς ἐπισυναγόμενος ἐπὶ πρόσωπον τῶν θεεὶμ ἔνθεν καὶ ἔνθεν, καὶ τὸ θεὲ πηχῶν ἓξ ἔνθεν καὶ πηχῶν ἓξ ἔνθεν.
13Gemeten van de buitenmuur van een nis af tot aan de tegenoverliggende buitenmuur, bedroeg de breedte van de poort vijf en twintig el. De ene deur lag tegenover de andere.
13Καὶ διεμέτρησε τὴν πύλην ἀπὸ τοῦ τοίχου τοῦ θεὲ ἐπὶ τὸν τοῖχον τοῦ θεὲ, πλάτος πήχεις εἴκοσι καὶ πέντε· αὕτη πύλη ἐπὶ πύλην.
14Ook mat hij de voorhal: twintig el. Aan de voorhal grensde aan weerszijden de voorhof.
14Καὶ τὸ αἴθριον τοῦ αἰλὰμ τῆς πύλης ἔξωθεν, πήχεις εἴκοσι θεεὶμ τῆς πύλης κύκλῳ.
15Vanaf de buitenzijde van de poortingang tot en met de voorzijde van de poorthal aan de binnenkant, was de afstand vijftig el.
15Καὶ τὸ αἴθριον τῆς πύλης ἔξωθεν, εἰς τὸ αἴθριον αἰλὰμ τῆς πύλης ἔσωθεν πηχῶν πεντήκοντα.
16In de poort waren in de nissen en hun muurvlakken aan weerszijden vensters, die naar binnen toe schuin toeliepen. Zo waren er ook in de voorhal aan weerszijden vensters, naar binnen toe schuin toelopend; en op de muurvlakken waren palmen aangebracht.
16Καὶ θυρίδες κρυπταὶ ἐπὶ τὸ θεεὶμ, καὶ ἐπὶ τὰ αἰλὰμ ἔσωθεν τῆς πύλης τῆς αὐλῆς κυκλόθεν· καὶ ὡσαύτως τοῖς αἰλὰμ θυρίδας κύκλῳ ἔσωθεν, καὶ ἐπὶ τὸ αἰλὰμ φοίνικες ἔνθεν καὶ ἔνθεν.
17Vervolgens bracht hij mij naar de buitenvoorhof, en daar zag ik kamers en een plaveisel, die aan alle zijden van de voorhof waren aangelegd. Dertig kamers kwamen uit op dat plaveisel,
17Καὶ εἰσήγαγέ με εἰς τὴν αὐλὴν τὴν ἐσωτέραν, καὶ ἰδοὺ παστοφόρια, καὶ περίστυλα κύκλῳ τῆς αὐλῆς, τριάκοντα παστοφόρια ἐν τοῖς περιστύλοις,
18dat zich bezijden de poorten even ver uitstrekte als de poorten diep waren. Dit was het laagste plaveisel.
18καὶ αἱ στοαὶ κατὰ νώτου τῶν πυλῶν κατὰ τὸ μῆκος τῶν πυλῶν τὸ περίστυλον τὸ ὑποκάτω.
19Ook nam hij de afstand op van de binnenzijde van de benedenste poort af tot aan de buitenzijde van de binnenvoorhof, en die bedroeg honderd el.
19Καὶ διεμέτρησε τὸ πλάτος τῆς αὐλῆς, ἀπὸ τοῦ αἰθρίου τῆς πύλης τῆς ἐξωτέρας ἔσωθεν ἐπὶ τὸ αἴθριον τῆς πύλης τῆς βλεπούσης ἔξω, πήχεις ἑκατὸν τῆς βλεπούσης κατὰ ἀνατολάς· καὶ ἤγαγέ με ἐπὶ Βοῤῥᾶν,
20Toen ging hij mij voor naar het noorden, en ik zag een poort, die op het noorden van de buitenvoorhof lag; en hij nam haar breedte en diepte op.
20καὶ ἰδοὺ πύλη βλέπουσα πρὸς Βοῤῥᾶν τῇ αὐλῇ τῇ ἐξωτέρᾳ, καὶ διεμέτρησεν αὐτὴν, τό, τε μῆκος αὐτῆς καὶ τὸ πλάτος,
21Haar drie nissen aan weerskanten, haar muurvlakken en voorhal, hadden dezelfde afmetingen als die van de eerste poort; deze zelf was eveneens vijftig el diep en vijf en twintig el breed.
21καὶ τὸ θεὲ τρεῖς ἔνθεν καὶ τρεῖς ἔνθεν, καὶ τὸ αἰλεῦ, καὶ τὰ αἰλαμμὼν, καὶ τοὺς φοίνικας αὐτῆς· καὶ ἐγένετο κατὰ τὰ μέτρα τῆς πύλης τῆς βλεπούσης κατὰ ἀνατολὰς, πηχῶν πεντήκοντα τὸ μῆκος αὐτῆς, καὶ πηχῶν εἰκοσιπέντε τὸ εὖρος αὐτῆς·
22Ook haar vensters, voorhal en palmen waren van dezelfde afmetingen, als die van de oosterpoort. Men betrad haar langs zeven treden, en haar voorhal lag aan de binnenkant.
22Καὶ αἱ θυρίδες αὐτῆς, καὶ τὰ αἰλαμμὼν, καὶ οἱ φοίνικες αὐτῆς καθὼς ἡ πύλη ἡ βλέπουσα κατὰ ἀνατολάς· καὶ ἐν ἑπτὰ κλημακτῆρσιν ἀνέβαινον ἐπʼ αὐτὸν, καὶ τὰ αἰλαμμὼν ἔσωθεν·
23Tegenover de noorderpoort lag er een poort naar de binnen-voorhof: de afstand tussen beide poorten bedroeg honderd el.
23Καὶ πύλη τῇ αὐλῇ τῇ ἐσωτέρᾳ βλέπουσα ἐπὶ πύλην τοῦ Βοῤῥᾶ, ὃν τρόπον τῆς πύλης τῆς βλεπούσης κατὰ ἀνατολάς· καὶ διεμέτρησε τὴν αὐλὴν ἀπὸ πύλης ἐπὶ πύλην, πήχεις ἑκατόν.
24Daarop liet hij mij zuidwaarts gaan, en ook aan de zuidkant zag ik een poort; hij nam de maat van haar nissen, muurvlakken en voorhal: ze hadden dezelfde afmetingen.
24Καὶ ἤγαγέ με κατὰ Νότον, καὶ ἰδοὺ πύλη βλέπουσα πρὸς Νότον, καὶ διεμέτρησεν αὐτὴν, καὶ τὰ θεὲ, καὶ τὰ αἰλεῦ, καὶ τὰ αἰλαμμὼν, κατὰ τὰ μέτρα ταῦτα.
25Aan weerszijden van de poort en haar voorhal waren er vensters van dezelfde vorm als de andere. Ze was vijftig el diep en vijf en twintig el breed,
25Καὶ αἱ θυρίδες αὐτῆς, καὶ τὰ αἰλαμμὼν κυκλόθεν, καθὼς αἱ θυρίδες τοῦ αἰλὰμ, πηχῶν πεντήκοντα τὸ μῆκος αὐτῆς, καὶ πηχῶν εἰκοσιπέντε τὸ εὖρος αὐτῆς,
26ze had een trap van zeven treden, haar poorthal lag ook aan de binnenkant en op haar muurvlakken waren palmen aangebracht, aan weerskanten één.
26καὶ ἑπτὰ κλημακτῆρες αὐτῇ, καὶ αἰλαμμὼν ἔσωθεν, καὶ φοίνικες αὐτῇ, εἷς ἔνθεν καὶ εἷς ἔνθεν ἐπὶ τὰ αἰλεῦ.
27Tegenover de zuiderpoort lag er een poort naar de binnen-voorhof; de afstand tussen beide poorten bedroeg honderd el.
27Καὶ πύλη κατέναντι τῆς πύλης τῆς αὐλῆς τῆς ἐσωτέρας πρὸς Νότον, καὶ διεμέτρησε τὴν αὐλὴν ἀπὸ πύλης ἐπὶ πύλην, πήχεις ἑκατὸν τὸ εὖρος πρὸς Νότον.
28Vervolgens bracht hij mij in de zuiderpoort, die naar de binnen-voorhof leidt. Hij mat de zuiderpoort op: ze had dezelfde afmetingen;
28Καὶ εἰσήγαγέ με εἰς τὴν αὐλὴν τὴν ἐσωτέραν τῆς πύλης τῆς πρὸς Νότον, καὶ διεμέτρησε τὴν πύλην κατὰ τὰ μέτρα ταῦτα,
29ook haar nissen, muurvlakken en voorhal hadden dezelfde afmetingen. In de poort en de voorhal waren aan weerskanten vensters Ze was vijftig el lang en vijf en twintig el breed.
29καὶ τὰ θεὲ, καὶ τὰ αἰλεῦ, καὶ τὰ αἰλαμμὼν κατὰ τὰ μέτρα ταῦτα, καὶ θυρίδες αὐτῇ, καὶ τῷ αἰλαμμὼν κύκλῳ, πήχεις πεντήκοντα τὸ μῆκος αὐτῆς,
30-
no verse 30 in this text
31Haar voorhal echter lag aan de kant van de buiten-voorhof. Ook op haar muurvlakken waren palmen aangebracht, en ze had een trap van acht treden.
31καὶ τὸ εὖρος πήχεις εἰκοσιπέντε τοῦ αἰλὰμ εἰς τὴν αὐλὴν τὴν ἐξωτέραν, καὶ φοίνικες τῷ αἰλεῦ, καὶ ὀκτὼ κλημακτῆρες.
32Daarna bracht hij mij naar de oostzijde van de binnen-voorhof, en hij mat de poort op. Ze had dezelfde afmetingen;
32Καὶ εἰσήγαγέ με εἰς τὴν πύλην τὴν βλέπουσαν κατὰ ἀνατολὰς, καὶ διεμέτρησεν αὐτὴν κατὰ τὰ μέτρα ταῦτα,
33ook haar nissen, muurvlakken en voorhal hadden dezelfde afmetingen. Aan weerskanten waren er in de poort en in de voorhal vensters. Ze was vijftig el diep en vijf en twintig el breed. Ook haar voorhal lag aan de kant van de buiten-voorhof.
33καὶ τὰ θεὲ, καὶ τὰ αἰλεῦ, καὶ τὰ αἰλαμμὼν κατὰ τὰ μέτρα ταῦτα, καὶ θυρίδες αὐτῇ καὶ αἰλαμμὼν κύκλῳ πήχεις πεντήκοντα μῆκος αὐτῆς, καὶ εὖρος αὐτῆς πήχεις εἰκοσιπέντε.
34Op haar muurvlakken waren aan weerskanten palmen aangebracht, en ze had een trap van acht treden.
34Καὶ αἰλαμμὼν εἰς τὴν αὐλὴν τὴν ἐσωτέραν, καὶ φοίνικες ἐπὶ τοῦ αἰλεῦ ἔνθεν καὶ ἔνθεν, καὶ ὀκτὼ κλημακτῆρες αὐτῇ.
35Tenslotte bracht hij mij naar de noorderpoort, en mat haar op. Ze had dezelfde afmetingen;
35Καὶ εἰσήγαγέ με εἰς τὴν πύλην τὴν πρὸς βοῤῥᾶν, καὶ διεμέτρησε κατὰ τὰ μέτρα ταῦτα,
36ook haar nissen, muurvlakken en voorhal hadden dezelfde afmetingen. Aan weerskanten waren er vensters. Ze was vijftig el diep en vijf en twintig el breed.
36καὶ τὰ θεὲ, καὶ τὰ αἰλεῦ, καὶ τὰ αἰλαμμὼν, καὶ θυρίδες αὐτῇ κύκλῳ, καὶ τὸ αἰλαμμὼν αὐτῆς, πήχεις πεντήκοντα μῆκος αὐτῆς, καὶ εὖρος πήχεις εἰκοσιπέντε·
37Ook haar voorhal lag aan de kant van de buiten-voorhof, op haar muurvlakken waren aan weerskanten palmen aangebracht, en ze had een trap van acht treden.
37Καὶ τὰ αἰλαμμὼν εἰς τὴν αὐλὴν τὴν ἐξωτέραν, καὶ φοίνικες τῷ αἰλεῦ ἔνθεν καὶ ἔνθεν, καὶ ὀκτὼ κλημακτῆρες αὐτῇ.
38In de poorthal was een kamer met ingang; daar spoelde men het brandoffer af.
38Τὰ παστοφόρια αὐτῆς, καὶ τὰ θυρώματα αὐτῆς, καὶ τὰ αἰλαμμὼν αὐτῆς ἐπὶ τῆς πύλης τῆς δευτέρας ἔκρυσις,
39Binnen de poorthal stonden twee tafels aan de éne en twee tafels aan de andere kant, waarop het brandoffer, het zonde-offer en schuldoffer werden geslacht.
39ὅπως σφάζωσιν ἐν αὐτῇ τὰ ὑπὲρ ἁμαρτίας, καὶ τὰ ὑπὲρ ἀγνοίας.
40Ook aan de buitenkant van de poorthal stonden twee tafels aan de linkerzijde; eveneens aan de andere zijde van de poorthal stonden twee tafels.
40Καὶ κατὰ νώτου τοῦ ῥύακος τῶν ὁλοκαυτωμάτων τῆς βλεπούσης πρὸς Βοῤῥᾶν, δύο τράπεζαι πρὸς ἀνατολὰς κατὰ νώτου τῆς δευτέρας, καὶ τοῦ αἰλὰμ τῆς πύλης δύο τράπεζαι κατὰ ἀνατολάς.
41Er waren dus vier tafels aan de ene en vier tafels aan de andere kant van de zijwand der poort; in het geheel acht tafels, waarop geslacht werd.
41Τέσσαρες ἔνθεν, καὶ τέσσαρες ἔνθεν κατὰ νώτου τῆς πύλης, ἐπʼ αὐτὰς σφάζουσι τὰ θύματα· κατέναντι τῶν ὀκτὼ τραπεζῶν τῶν θυμάτων.
42De vier tafels voor het brandoffer waren uit steen gehouwen, en waren anderhalf el lang, anderhalf el breed en één el hoog; daarop legde men de gereedschappen neer, waarmee het brand- en slachtoffer geslacht werden.
42Καὶ τέσσαρες τράπεζαι τῶν ὁλοκαυτωμάτων λίθιναι λελαξευμέναι, πήχεως καὶ ἡμίσους τὸ πλάτος, καὶ πήχεων δύο ἡμίσους τὸ μῆκος, καὶ ἐπὶ πῆχυν τὸ ὕψος· ἐπʼ αὐτὰ ἐπιθήσουσι τὰ σκεύη, ἑν οἷς σφάζουσιν ἐκεῖ τὰ ὁλοκαυτώματα καὶ τὰ θύματα.
43Aan de tafels, die binnen stonden, was langs alle kanten een rand aangebracht, een hand breed;
43Καὶ παλαιστὴν ἕξουσι γεῖσος λελαξευμένον ἔσωθεν κύκλῳ, καὶ ἐπὶ τὰς τραπέζας ἐπάνωθεν στέγας, τοῦ καλύπτεσθαι ἀπὸ τοῦ ὑετοῦ, καὶ ἀπὸ τῆς ξηρασίας.
44boven de tafels buiten de poort was een overkapping gemaakt, om het offervlees tegen regen en hitte te beschermen. Vervolgens leidde hij mij in de binnen-voorhof, en daar zag ik twee zalen, één ter zijde van de noorderpoort met een gevel op het zuiden, en één terzijde van de zuiderpoort met een gevel op het noorden.
44Καὶ εἰσήγαγέ με εἰς τὴν αὐλὴν τὴν ἐσωτέραν· καὶ ἰδοὺ δύο ἐξέδραι ἐν τῇ αὐλῇ τῇ ἐσωτέρᾳ, μία κατὰ νώτου τῆς πύλης τῆς βλεπούσης πρὸς Βοῤῥᾶν, φέρουσα πρὸς Νότον, καὶ μία κατὰ νώτου τῆς πύλης τῆς πρὸς Νότον, βλεπούσης δὲ πρὸς Βοῤῥᾶν.
45En hij sprak tot mij: Deze zaal, die op het zuiden ligt, is bestemd voor de priesters, die de tempeldienst waarnemen;
45Καὶ εἶπε πρὸς μὲ, ἡ ἐξέδρα αὕτη ἡ βλέπουσα πρὸς Νότον, τοῖς ἱερεῦσι τοῖς φυλάσσουσι τὴν φυλακὴν τοῦ οἴκου,
46en de zaal, die op het noorden ligt, is bestemd voor de priesters, die de altaardienst verrichten, namelijk voor de zonen van Sadok, die van de zonen van Levi tot Jahweh mogen naderen, om zijn dienst waar te nemen.
46καὶ ἡ ἐξέδρα ἡ βλέπουσα πρὸς Βοῤῥᾶν, τοῖς ἱερεῦσι τοῖς φυλάσσουσι τὴν φυλακὴν τοῦ θυσιαστηρίου· ἐκεῖνοί εἰσιν οἱ υἱοὶ Σαδδοὺκ, οἱ ἐγγίζοντες ἐκ τοῦ Λευὶ πρὸς Κύριον, λειτουργεῖν αὐτῷ.
47Hij mat de binnen-voorhof op: honderd el bedroeg de lengte en honderd el de breedte; het was een vierkant, en het altaar stond recht tegenover de tempel.
47Καὶ διεμέτρησε τὴν αὐλὴν, μῆκος πηχῶν ἑκατὸν, καὶ εὖρος πήχεις ἑκατὸν, ἐπὶ τὰ τέσσαρα μέρη αὐτῆς, καὶ τὸ θυσιαστήριον ἀπέναντι τοῦ οἴκου.
48Daarna bracht hij mij naar de voorhal van de tempel, en mat de deurposten van de voorhal op: ze waren aan weerskanten vijf el diep. De poort was veertien el breed, en de zijvlakken drie el aan weerskanten.
48Καὶ εἰσήγαγέ με εἰς τὸ αἰλὰμ τοῦ οἴκου· καὶ διεμέτρησε τὸ αἲλ τοῦ αἰλὰμ πηχῶν πέντε τὸ πλάτος ἔνθεν, καὶ πηχῶν πέντε ἔνθεν, καὶ τὸ εὖρος τοῦ θυρώματος πηχῶν δεκατεσσάρων, καὶ ἐπωμίδες τῆς θύρας τοῦ αἰλὰμ πηχῶν τριῶν ἔνθεν, καὶ πηχῶν τριῶν ἔνθεν.
49De lengte van de voorhal bedroeg twintig el en de breedte twaalf el; langs tien treden ging men er heen, en tegen de deurposten stond aan weerskanten een zuil.
49Καὶ τὸ μῆκος τοῦ αἰλὰμ πηχῶν εἴκοσι, καὶ τὸ εὖρος πηχῶν δώδεκα· καὶ ἐπὶ δέκα ἀναβαθμῶν ἀνέβαινον ἐπʼ αὐτὸ, καὶ στύλοι ἦσαν ἐπὶ τὸ αἰλάμ, εἷς ἔνθεν καὶ εἷς ἔνθεν.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.