Ezechiel 40
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Kralice Bible (1613)
1In het vijf en twintigste jaar van onze verbanning, in het begin van het jaar, op de tiende van de maand, veertien jaren na de inneming van de stad, juist op die dag raakte de hand van Jahweh mij aan. Hij bracht mij derwaarts:
1Dvadcátého pátého léta od zajetí našeho, na počátku roku, desátého dne měsíce, čtrnáctého léta po dobytí města, právě v tentýž den byla nade mnou ruka Hospodinova, a uvedl mne tam.
2in goddelijke gezichten bracht Hij mij naar het land Israël. Hij liet mij neer op een zeer hoge berg, en het leek alsof aan de zuidkant daarvan een stad was gebouwd.
2U viděních Božích přivedl mne do země Izraelské, a postavil mne na hoře velmi vysoké, při níž bylo jako stavení města, ku poledni.
3Hij bracht mij daarheen, en daar zag ik in de poort een man staan, wiens uiterlijk op brons geleek, en die in zijn hand een linnen snoer en een duimstok hield.
3I uvedl mne tam, a aj, muž, kterýž na pohledění byl jako měď, maje šňůru lněnou v ruce své, a prut k rozměřování, a ten stál v bráně.
4De man sprak tot mij: Mensenkind, kijk goed uit uw ogen, spits uw oren, en let aandachtig op alles wat ik u laat zien; want ge zijt hierheen gebracht om te worden ingelicht. Verkondig aan het huis Israël, al wat ge zien zult.
4I mluvil ke mně ten muž: Synu člověčí, viz očima svýma, a ušima svýma slyš, a přilož srdce své ke všemu, což já ukáži tobě; nebo proto aťbych ukazoval, přiveden jsi sem. Ty pak oznámíš všecko domu Izraelskému, což vidíš.
5En zie, buiten het tempelgebouw liep aan alle zijden een muur. De man had in zijn hand een duimstok van zes el: ellen van een el en een handbreedte. En hij mat de dikte van de muurbouw, die bedroeg één roede, en de hoogte: ook één roede.
5A aj, zed zevnitř při domu vůkol a vůkol, a v ruce muže toho prut míry, šesti loket, (loket o dlaň delší než obecní). Změřil šířku toho stavení jednoho prutu, a výšku jednoho prutu.
6Hij bracht mij naar de poort die op het oosten ligt, ging de trap op, en mat de drempel van de poort; hij was één roede breed; ook de andere drempel was één roede breed.
6A všed do brány, kteráž byla naproti východu, šel na horu po stupních jejích, i změřil prah brány jednoho prutu zšíří, a prah druhý jednoho prutu zšíří.
7Elke nis was één roede breed en één roede diep, en tussen de nissen was een afstand van vijf el. Ook de drempel van de poort aan gene zijde van de poorthal, aan de binnenkant, was één roede breed.
7A pokojíky jednoho prutu zdélí, a jednoho prutu zšíří, mezi pokojíky pak pět loket, a prah brány podlé síňce brány vnitř prutu jednoho.
8Hij mat de poorthal op,
8I změřil síňci brány vnitř na jeden prut.
9die acht el diep was; en haar deurposten, die twee el breed waren. De poorthal lag aan de binnenkant.
9Změřil také síňci brány osmi loket, a veřeje její dvou loket, totiž síňce brány vnitř.
10De nissen van de oosterpoort lagen tegenover elkander: drie aan de ene en drie aan de andere kant; ze hadden alle drie dezelfde afmetingen, en ook de muurvlakken aan weerskanten hadden dezelfde afmetingen.
10I pokojíky brány východní, tři s jedné a tři s druhé strany. Jedné míry byly všecky tři, a míra jednostejná veřejí po obou stranách.
11Hij nam de breedte van de poortdeur op: ze bedroeg tien el, en die van de poortweg dertien el.
11Změřil též i širokost dveří té brány desíti loket, a dlouhost též brány třinácti loket,
12Vóór de nissen was er aan weerskanten een afgesloten ruimte van één el, terwijl de nissen zowel aan de ene als aan de andere zijde zes el diep waren.
12A přístřeší před pokojíky jednoho lokte, a na jeden loket přístřeší s této strany, pokojíky pak šesti loket s jedné, a šesti loket s druhé strany.
13Gemeten van de buitenmuur van een nis af tot aan de tegenoverliggende buitenmuur, bedroeg de breedte van de poort vijf en twintig el. De ene deur lag tegenover de andere.
13A tak změřil bránu od střechy pokojíka do střechy druhého, širokost pětmecítma loket, dvéře naproti dveřím.
14Ook mat hij de voorhal: twintig el. Aan de voorhal grensde aan weerszijden de voorhof.
14A udělal veřeje šedesáti loket, a každé veřeje síně i brány vůkol a vůkol jedna míra.
15Vanaf de buitenzijde van de poortingang tot en met de voorzijde van de poorthal aan de binnenkant, was de afstand vijftig el.
15Od předku pak brány, kudyž se vchází do předku síňce brány vnitřní, bylo padesáte loket.
16In de poort waren in de nissen en hun muurvlakken aan weerszijden vensters, die naar binnen toe schuin toeliepen. Zo waren er ook in de voorhal aan weerszijden vensters, naar binnen toe schuin toelopend; en op de muurvlakken waren palmen aangebracht.
16A byla okna possoužená v pokojících i nad veřejemi jejich, do vnitřku brány vůkol a vůkol, takž i při klenutí, a na okních vůkol a vůkol do vnitřku, a na veřejích byly palmy.
17Vervolgens bracht hij mij naar de buitenvoorhof, en daar zag ik kamers en een plaveisel, die aan alle zijden van de voorhof waren aangelegd. Dertig kamers kwamen uit op dat plaveisel,
17Potom mne uvedl do síně zevnitřní, a aj, komůrky a půda udělaná při síni vůkol a vůkol. Třidceti komůrek na té půdě bylo.
18dat zich bezijden de poorten even ver uitstrekte als de poorten diep waren. Dit was het laagste plaveisel.
18Ta pak půda po straně těch bran, naproti dlouhosti bran, půda nižší byla.
19Ook nam hij de afstand op van de binnenzijde van de benedenste poort af tot aan de buitenzijde van de binnenvoorhof, en die bedroeg honderd el.
19Změřil také šířku od předku brány dolejší až k předku síně vnitřní, zevnitř na sto loket k východu a půlnoci.
20Toen ging hij mij voor naar het noorden, en ik zag een poort, die op het noorden van de buitenvoorhof lag; en hij nam haar breedte en diepte op.
20Též bránu, kteráž byla na půlnoci při síni zevnitřní, změřil na dél i na šíř.
21Haar drie nissen aan weerskanten, haar muurvlakken en voorhal, hadden dezelfde afmetingen als die van de eerste poort; deze zelf was eveneens vijftig el diep en vijf en twintig el breed.
21(Jejíž pokojíkové tři s jedné a tři s druhé strany, i veřeje její i síňce její byly podlé míry brány prvnější.) Padesáti loket dlouhost její, širokost pak pětmecítma loket.
22Ook haar vensters, voorhal en palmen waren van dezelfde afmetingen, als die van de oosterpoort. Men betrad haar langs zeven treden, en haar voorhal lag aan de binnenkant.
22Okna také její i síňce její i palmy její byly podlé míry brány té, kteráž byla k východu, a vstupovalo se k ní po sedmi stupních, před nimiž síňce její byly.
23Tegenover de noorderpoort lag er een poort naar de binnen-voorhof: de afstand tussen beide poorten bedroeg honderd el.
23A byla ta brána u síně vnitřní naproti bráně půlnoční a východní; i odměřil od brány k bráně sto loket.
24Daarop liet hij mij zuidwaarts gaan, en ook aan de zuidkant zag ik een poort; hij nam de maat van haar nissen, muurvlakken en voorhal: ze hadden dezelfde afmetingen.
24Potom mne vedl ku poledni, a aj, brána ku poledni; i změřil veřeje její, i síňce její podlé těch měr,
25Aan weerszijden van de poort en haar voorhal waren er vensters van dezelfde vorm als de andere. Ze was vijftig el diep en vijf en twintig el breed,
25(A okna v ní i síňce její vůkol a vůkol podobná oknům oněm), padesáti loket zdélí a pětmecítma loket zšíří.
26ze had een trap van zeven treden, haar poorthal lag ook aan de binnenkant en op haar muurvlakken waren palmen aangebracht, aan weerskanten één.
26A k vstupování k ní stupňů sedm, a síňce její před nimi; též palmy při ní, jedna s jedné a druhá s druhé strany při veřejích jejích.
27Tegenover de zuiderpoort lag er een poort naar de binnen-voorhof; de afstand tussen beide poorten bedroeg honderd el.
27Též bránu síně vnitřní ku poledni změřil od brány k bráně, na poledne, sto loket.
28Vervolgens bracht hij mij in de zuiderpoort, die naar de binnen-voorhof leidt. Hij mat de zuiderpoort op: ze had dezelfde afmetingen;
28I uvedl mne do síně vnitřní branou polední, a změřil tu bránu polední podlé týchž měr,
29ook haar nissen, muurvlakken en voorhal hadden dezelfde afmetingen. In de poort en de voorhal waren aan weerskanten vensters Ze was vijftig el lang en vijf en twintig el breed.
29I pokojíky její i veřeje její, i síňce její podlé týchž měr, i okna její i síňce její vůkol a vůkol, padesáti loket na dél, a na šíř pětmecítma loket.
30-
30A síňce vůkol a vůkol zšíří pětmecítma loket, a zdélí padesáti loket.
31Haar voorhal echter lag aan de kant van de buiten-voorhof. Ook op haar muurvlakken waren palmen aangebracht, en ze had een trap van acht treden.
31A síňce její jako síň zevnitřní, i palmy při veřejích jejích, též stupňů osm k vstupování k ní.
32Daarna bracht hij mij naar de oostzijde van de binnen-voorhof, en hij mat de poort op. Ze had dezelfde afmetingen;
32Uvedl mne také do síně vnitřní k východu, i změřil bránu tu podlé týchž měr,
33ook haar nissen, muurvlakken en voorhal hadden dezelfde afmetingen. Aan weerskanten waren er in de poort en in de voorhal vensters. Ze was vijftig el diep en vijf en twintig el breed. Ook haar voorhal lag aan de kant van de buiten-voorhof.
33Též pokojíky její i veřeje její, i síňce její, podlé týchž měr, i okna její i síňce její vůkol a vůkol, zdélí padesáti loket, zšíří pak pětmecítma loket.
34Op haar muurvlakken waren aan weerskanten palmen aangebracht, en ze had een trap van acht treden.
34Též síňce její při síni zevnitřní, a palmy při veřejích s obou stran, a osm stupňů k vstupování k ní.
35Tenslotte bracht hij mij naar de noorderpoort, en mat haar op. Ze had dezelfde afmetingen;
35Přivedl mne též k bráně půlnoční, a změřil ji podlé týchž měr,
36ook haar nissen, muurvlakken en voorhal hadden dezelfde afmetingen. Aan weerskanten waren er vensters. Ze was vijftig el diep en vijf en twintig el breed.
36Pokojíky její, veřeje její i síňce její i okna její vůkol a vůkol, zdélí padesáti loket, a zšíří pětmecítma loket.
37Ook haar voorhal lag aan de kant van de buiten-voorhof, op haar muurvlakken waren aan weerskanten palmen aangebracht, en ze had een trap van acht treden.
37I veřeje její při síni zevnitřní a palmy při veřejích s obou stran, též osm stupňů k vstupování k ní,
38In de poorthal was een kamer met ingang; daar spoelde men het brandoffer af.
38I komůrky a dvéře její při veřejích bran, kdež obmývali oběti zápalné.
39Binnen de poorthal stonden twee tafels aan de éne en twee tafels aan de andere kant, waarop het brandoffer, het zonde-offer en schuldoffer werden geslacht.
39A v síňci brány byli dva štokové s jedné strany, a dva štokové s druhé strany, aby na nich zabíjeli oběti zápalné, a za hřích i vinu.
40Ook aan de buitenkant van de poorthal stonden twee tafels aan de linkerzijde; eveneens aan de andere zijde van de poorthal stonden twee tafels.
40A po boku, kudyž se tam vstupuje při dveřích brány půlnoční, dva štokové; tolikéž po boku druhém síňce též brány dva štokové.
41Er waren dus vier tafels aan de ene en vier tafels aan de andere kant van de zijwand der poort; in het geheel acht tafels, waarop geslacht werd.
41Ètyři štokové s jedné, a čtyři štokové s druhé strany po boku brány, osm štoků, na nichž zabíjeli.
42De vier tafels voor het brandoffer waren uit steen gehouwen, en waren anderhalf el lang, anderhalf el breed en één el hoog; daarop legde men de gereedschappen neer, waarmee het brand- en slachtoffer geslacht werden.
42Ètyři pak štokové k zápalu byli z kamení tesaného, zdélí půldruhého lokte, a zšíří půldruhého lokte, a zvýší lokte jednoho, na nichž nechávali nádobí, kterýmž zabíjeli k zápalům a obětem.
43Aan de tafels, die binnen stonden, was langs alle kanten een rand aangebracht, een hand breed;
43A kotliska ztlouští na jednu dlaň připravená v domě vůkol a vůkol, na štocích pak maso věcí obětovaných.
44boven de tafels buiten de poort was een overkapping gemaakt, om het offervlees tegen regen en hitte te beschermen. Vervolgens leidde hij mij in de binnen-voorhof, en daar zag ik twee zalen, één ter zijde van de noorderpoort met een gevel op het zuiden, en één terzijde van de zuiderpoort met een gevel op het noorden.
44Potom zevnitř, při bráně vnitřní, komůrky zpěváků v síni vnitřní, kteráž byla po boku brány půlnoční, a ty byly na poledne; jedna při boku brány východní byla na půlnoci.
45En hij sprak tot mij: Deze zaal, die op het zuiden ligt, is bestemd voor de priesters, die de tempeldienst waarnemen;
45I mluvil ke mně: Tyto komůrky na poledne jsou kněží stráž držících nad domem;
46en de zaal, die op het noorden ligt, is bestemd voor de priesters, die de altaardienst verrichten, namelijk voor de zonen van Sadok, die van de zonen van Levi tot Jahweh mogen naderen, om zijn dienst waar te nemen.
46Ty pak komůrky na půlnoci jsou kněží stráž držících nad oltářem, totiž synů Sádochových, kteříž přistupují z synů Léví k Hospodinu, aby sloužili jemu.
47Hij mat de binnen-voorhof op: honderd el bedroeg de lengte en honderd el de breedte; het was een vierkant, en het altaar stond recht tegenover de tempel.
47I změřil tu síň čtverhranou zdélí sto loket, a zšíří sto loket, i oltář před domem.
48Daarna bracht hij mij naar de voorhal van de tempel, en mat de deurposten van de voorhal op: ze waren aan weerskanten vijf el diep. De poort was veertien el breed, en de zijvlakken drie el aan weerskanten.
48I přivedl mne k síňci domu, a změřil veřeje té síňce, pěti loket s jedné a pěti loket s druhé strany, širokost pak brány byla tří loket s jedné a tří loket s druhé strany.
49De lengte van de voorhal bedroeg twintig el en de breedte twaalf el; langs tien treden ging men er heen, en tegen de deurposten stond aan weerskanten een zuil.
49Dlouhost síňce dvadcíti loket, širokost pak jedenácti loket i s stupni, po nichž se vstupovalo k ní; sloupové pak byli při veřejích, jeden s jedné, a druhý s druhé strany.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.