Ezechiel 2
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Kralice Bible (1613)
1Hij zeide tot mij: Mensenkind, ga recht overeind staan, dan zal Ik met u spreken.
1Kterýž řekl ke mně: Synu člověčí, postav se na nohy své, ať mluvím s tebou.
2Zodra Hij tot mij gesproken had, kwam er een geest in mij, die mij recht overeind deed staan. En ik hoorde Hem, die tot mij sprak
2I vstoupil do mne duch, když promluvil ke mně, a postavil mne na nohy mé, a slyšel jsem, an mluví ke mně.
3zeggen: Mensenkind, Ik zend u tot de Israëlieten, tot het opstandige volk, dat zich tegen Mij heeft verzet; zij zowel als hun vaderen hebben tot op deze eigen dag tegen Mij gezondigd,
3Kterýž řekl mi: Synu člověčí, já tě posílám k synům Izraelským, k národům zpurným, kteříž zpurně se postavovali proti mně; oni i otcové jejich zpronevěřovali se mi, až právě do tohoto dne.
4en de kinderen hebben een stug gelaat en een ontembaar hart. Tot hen zend Ik u, en tot hen moet ge zeggen: Zo spreekt Jahweh, de Heer!
4K těch, pravím, synům nestydaté tváři a zatvrdilého srdce já posílám tě, a díš k nim: Takto praví Panovník Hospodin,
5En of ze het horen willen of niet, want ze zijn een onhandelbaar volk, in ieder geval zullen ze weten, dat er een profeet onder hen is.
5Již oni slyšte neb nechte: Že dům zpurný jsou. Ať vědí, že prorok byl u prostřed nich.
6Mensenkind, ge moet niet bang voor hen zijn, en voor hun woorden niet vrezen; want ofschoon ze u gaan weerstreven en belagen, en ofschoon ge op schorpioenen zult zitten, moet ge voor hun woorden niet vrezen en voor hun gezichten niet schrikken, want ze zijn een onhandelbaar volk.
6Ty pak synu člověčí, neboj se jich, aniž se boj slov jejich, že zpurní a jako trní jsou proti tobě, a že mezi štíry bydlíš. Slov jejich neboj se, a tváři jejich se nestrachuj, proto že dům zpurný jsou.
7Ge moet mijn woorden voor hen herhalen, of ze luisteren willen of niet; want ze zijn een onhandelbaar volk.
7Ale mluv slova má k nim, již oni slyšte neb nechte: Že zpurní jsou.
8Mensenkind, ge moet luisteren naar wat Ik u zeg, en niet halsstarrig zijn, zoals dit onhandelbare volk; open uw mond, en eet wat Ik u geef.
8Ty pak synu člověčí, slyš, co já pravím tobě: Nebuď zpurný jako ten dům zpurný. Otevři ústa svá, a sněz, co já tobě dám.
9Ik keek op, en zag een hand naar mij uitgestrekt, die een boekrol vasthield.
9I viděl jsem, a aj, ruka vztažena byla ke mně, a aj, v ní svinutá kniha.
10Hij ontrolde ze voor mijn ogen; ze was van voren en van achteren beschreven, en wat er op geschreven stond waren klaagliederen, weeklachten en treurzangen.
10Kteroužto rozvinul přede mnou, a byla popsaná s předu i z zadu, a bylo v ní psáno naříkání, kvílení a běda.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.