Job
Chapter 16
Petrus Canisius Bible, 1…
vs Freedom Bible (フリー…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Freedom Bible (フリーダム・バイブル)
1Job antwoordde, en sprak:
1そこでヨブは答えた。
2Zulke beweringen heb ik nu al meer dan genoeg gehoord; Gij zijt allemaal onuitstaanbare troosters!
2私はこのようなことをたくさん聞いた。 あなたがたは皆、苦しみを増す慰め手だ。
3Komt er dan nooit een eind aan die bluf, Wat prikkelt u toch, om te praten?
3むなしい言葉に終わりはないのか。 何に駆られて、そんな答えをするのか。
4Ik zou juist eender als gij kunnen spreken, Waart gij in mijn plaats; Mooie woorden tegen u kunnen zeggen, Het hoofd over u kunnen schudden;
4私もあなたがたのように語ることができる。 もし立場が逆であったなら、 あなたがたに対して言葉を並べ、 あなたがたに向かって頭を振ることもできた。
5U met de mond kunnen troosten, En met de lippen beklagen.
5だが私なら、言葉であなたがたを力づけ、 この唇の慰めで苦しみを和らげただろう。
6Als ik spreek, wordt mijn leed er niet door verminderd; Maar wat komt er van mij, als ik zwijg?
6たとえ語っても、私の痛みは和らがない。 黙っていても、何が軽くなるのか。
7De kwaadwillige zou mij aanstonds weerloos maken En heel zijn bent greep mij aan;
7だが今、神よ、あなたは私を疲れ果てさせ、 私の家族をことごとく打ち滅ぼした。
8Mijn lasteraar zou tegen mij getuigen, Tegen mij optreden, mij aanklagen;
8あなたは私をしなびさせた。 それが私を訴える証人となる。 痩せた姿が私に逆らって立ち上がり、 面と向かって私を責め立てる。
9Zijn toorn verscheurt en bestookt mij, Hij knerst de tanden tegen mij! Mijn tegenstanders zouden mij met hun ogen doorboren,
9怒りのうちに私を引き裂き、敵意を向けた。 私に歯ぎしりし、 私の敵は鋭い目で私をにらむ。
10Hun monden tegen mij opensperren, Smadelijk mij op de wangen slaan, Als één man tegen mij optrekken!
10人々は口を大きく開けて私に襲いかかり、 侮って私の頬を打つ。 一団となって私に押し寄せる。
11Want God levert mij aan deugnieten over, En werpt mij in de handen der bozen;
11神は私を神を敬わない者に引き渡し、 悪者たちの手に投げ渡した。
12Ik leefde in vrede: Hij heeft me gebroken, Bij de nek gegrepen en neergesmakt; Hij heeft mij tot zijn doelwit gemaakt,
12私は安らかであった。だが神は私を打ち砕き、 首をつかんで粉々にし、 私を的として立てた。
13Zijn pijlen snorren om mij heen; Meedogenloos doorboort Hij mijn nieren, En stort mijn gal over de bodem uit.
13神の射手たちが私を取り囲む。 神は容赦なく私の腎臓を切り裂き、 胆汁を地に注ぎ出す。
14Hij schiet mij de ene bres na de andere, Als een krijgsheld stormt Hij op mij los;
14破れに破れを重ねて私を打ち砕き、 戦士のように私へ突進する。
15Ik heb een rouwkleed over mijn huid genaaid, Mijn hoorn in het stof laten zakken;
15私は粗布を肌に縫いつけ、 自分の誉れをちりに伏させた。
16Mijn gelaat is rood van het wenen, En over mijn wimpers ligt de schaduw des doods.
16泣き続けて、私の顔は赤く腫れ、 死の陰が私のまぶたを覆う。
17Maar omdat er geen geweld aan mijn handen kleeft, Klinkt mijn rein gebed naar omhoog:
17私の手に暴力はなく、 私の祈りはきよいにもかかわらず。
18Aarde, houd mijn bloed niet bedekt En smoor mijn jammerklacht niet!
18地よ、私の血を覆うな。 私の叫びを葬る場所がないように。
19Maar nog leeft mijn Getuige in de hemel, Mijn pleitbezorger in den hoge!
19今もなお、見よ、私の証人は天におられ、 私を弁護する方は高い所におられる。
20Mijn jammeren dringt door tot God, Mijn oog stort tranen voor zijn aanschijn.
20友らは私をあざ笑う。 私の目は神に向けて涙を注ぎ出す。
21O, mocht er een scheidsrechter zijn tussen den mens en God, Als tussen den mens en zijn naaste!
21人と神との間を裁き、 人の子とその友との間を裁いてくださるように。
22Want luttel zijn de jaren, die mij nog resten, Eer ik de weg bewandel, waarlangs men niet terugkeert.
22あと数年もすれば、 戻らぬ道を私は行く。

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.