Job 8
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Freedom Bible (フリーダム・バイブル)
1Nu nam Bildad van Sjóeach het woord, en sprak:
1そこでシュア人ビルダデが答えた。
2Hoe lang nog gaat ge zó voort, En zullen uw woorden als een stormwind loeien?
2あなたはいつまでこれらのことを語るのか。 あなたの口の言葉は激しい風なのか。
3Zou God het recht soms verkrachten, De Almachtige de gerechtigheid schenden:
3神は裁きを曲げられるだろうか。 全能者は義を曲げられるだろうか。
4Wanneer uw kinderen tegen Hem hebben gezondigd, Dan heeft Hij hun slechts hun misdaad vergolden!
4もしあなたの子らが神に対して罪を犯したなら、 神は彼らを、その背きの報いに引き渡されたのだ。
5Maar als gij uw toevlucht neemt tot God, En rein en oprecht tot den Almachtige smeekt:
5もしあなたが熱心に神を尋ね求め、 全能者に願い求めるなら、
6Dan zal Hij van stonde af over u waken, En schenkt Hij u weer een rechtschapen gezin;
6もしあなたがきよくて正しいなら、 きっと今、神はあなたのために動き出し、 あなたの義の住まいを栄えさせてくださるだろう。
7Dan schijnt uw vroeger lot slechts gering, Wordt ver door uw nieuwe staat overtroffen.
7あなたの初めは小さくても、 あなたの終わりは非常に大きくなるだろう。
8Ja, vraag het maar aan het voorgeslacht Geef acht op de bevinding van hun vaderen!
8どうか、過去の世代に尋ねてみよ。 その父祖の探究に心を留めよ。
9Want wij zijn van gisteren, en weten niets, Ons leven op aarde is enkel een schaduw;
9(私たちは昨日の者でしかなく、何も知らない。 地上での私たちの日々は影にすぎない。)
10Maar zij zullen u leren, het u vertellen, En woorden spreken uit hun hart:
10彼らはあなたに教え、告げ、 心から言葉を語るではないか。
11Schiet het riet op buiten het moeras, Groeien de biezen buiten het water?
11パピルスは泥なしに育つだろうか。 葦は水なしに育つだろうか。
12Het wordt afgesneden, terwijl het nog bloeit, En verdort vóór ieder ander gewas:
12それがまだ青々としており、刈り取られなくても、 他のどの草よりも先に枯れる。
13Zo vergaat het allen, die God vergeten, Wordt de hoop van de bozen te schande!
13神を忘れるすべての者の道もそのようである。 神を敬わない者の希望は滅び去る。
14Een herfstdraad is zijn vertrouwen, Zijn toeverlaat een spinneweb;
14その確信は打ち砕かれ、 その頼みとするものは蜘蛛の巣である。
15Hij steunt op zijn web, maar dit houdt het niet uit, Hij grijpt het vast, maar het houdt geen stand.
15彼は自分の家に寄りかかるが、それは立たず、 彼はそれにすがりつくが、それは持ちこたえない。
16Vol sappen staat hij in de zon, Zijn ranken verspreiden zich over zijn hof;
16彼は太陽の前で青々としている。 その若枝は彼の園に伸びていく。
17Zijn wortels kronkelen zich over het grint, En tussen de stenen grijpt hij zich vast.
17その根は石の山に絡みつき、 石の間にまで根を張る。
18Maar rukt men hem weg van zijn plaats, Dan verloochent ze hem:ik heb u nooit gezien!
18もし彼がその場所から滅ぼし去られるなら、 そこは彼を拒んで、『私はあなたを見たことがない』と言う。
19Zo vergaat zijn leven door de mot Uit het stof ervan schieten anderen op.
19見よ、これが彼の道の楽しみ。 その地から別のものが芽を出す。
20Neen, God verwerpt den brave niet, En reikt den boze geen hand.
20見よ、神は咎のない人を退けず、 悪を行う者の手を支えない。
21Nog wordt uw mond met lachen vervuld, En uw lippen met jubel;
21神はなお、あなたの口を笑いで満たし、 あなたの唇を歓声で満たす。
22Maar uw haters worden met schande bedekt, De tent der bozen verdwijnt!
22あなたを憎む者たちは恥をまとい、 悪者の天幕はもはやなくなる。
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.