Job 8
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Lutherbibel 1912
1Nu nam Bildad van Sjóeach het woord, en sprak:
1Da antwortete Bildad von Suah und sprach:
2Hoe lang nog gaat ge zó voort, En zullen uw woorden als een stormwind loeien?
2Wie lange willst du solches reden und sollen die Reden deines Mundes so einen stolzen Mut haben?
3Zou God het recht soms verkrachten, De Almachtige de gerechtigheid schenden:
3Meinst du, daß Gott unrecht richte oder der Allmächtige das Recht verkehre?
4Wanneer uw kinderen tegen Hem hebben gezondigd, Dan heeft Hij hun slechts hun misdaad vergolden!
4Haben deine Söhne vor ihm gesündigt, so hat er sie verstoßen um ihrer Missetat willen.
5Maar als gij uw toevlucht neemt tot God, En rein en oprecht tot den Almachtige smeekt:
5So du aber dich beizeiten zu Gott tust und zu dem Allmächtigen flehst,
6Dan zal Hij van stonde af over u waken, En schenkt Hij u weer een rechtschapen gezin;
6und so du rein und fromm bist, so wird er aufwachen zu dir und wird wieder aufrichten deine Wohnung um deiner Gerechtigkeit willen;
7Dan schijnt uw vroeger lot slechts gering, Wordt ver door uw nieuwe staat overtroffen.
7und was du zuerst wenig gehabt hast, wird hernach gar sehr zunehmen.
8Ja, vraag het maar aan het voorgeslacht Geef acht op de bevinding van hun vaderen!
8Denn frage die vorigen Geschlechter und merke auf das, was ihr Väter erforscht haben;
9Want wij zijn van gisteren, en weten niets, Ons leven op aarde is enkel een schaduw;
9denn wir sind von gestern her und wissen nichts; unser Leben ist ein Schatten auf Erden.
10Maar zij zullen u leren, het u vertellen, En woorden spreken uit hun hart:
10Sie werden dich's lehren und dir sagen und ihre Rede aus ihrem Herzen hervorbringen:
11Schiet het riet op buiten het moeras, Groeien de biezen buiten het water?
11“Kann auch ein Rohr aufwachsen, wo es nicht feucht steht? oder Schilf wachsen ohne Wasser?
12Het wordt afgesneden, terwijl het nog bloeit, En verdort vóór ieder ander gewas:
12Sonst wenn's noch in der Blüte ist, ehe es abgehauen wird, verdorrt es vor allem Gras.
13Zo vergaat het allen, die God vergeten, Wordt de hoop van de bozen te schande!
13So geht es allen denen, die Gottes vergessen; und die Hoffnung der Heuchler wird verloren sein.
14Een herfstdraad is zijn vertrouwen, Zijn toeverlaat een spinneweb;
14Denn seine Zuversicht vergeht, und seine Hoffnung ist eine Spinnwebe.
15Hij steunt op zijn web, maar dit houdt het niet uit, Hij grijpt het vast, maar het houdt geen stand.
15Er verläßt sich auf sein Haus, und wird doch nicht bestehen; er wird sich daran halten, aber doch nicht stehenbleiben.
16Vol sappen staat hij in de zon, Zijn ranken verspreiden zich over zijn hof;
16Er steht voll Saft im Sonnenschein, und seine Reiser wachsen hervor in seinem Garten.
17Zijn wortels kronkelen zich over het grint, En tussen de stenen grijpt hij zich vast.
17Seine Saat steht dick bei den Quellen und sein Haus auf Steinen.
18Maar rukt men hem weg van zijn plaats, Dan verloochent ze hem:ik heb u nooit gezien!
18Wenn er ihn aber verschlingt von seiner Stätte, wird sie sich gegen ihn stellen, als kennte sie ihn nicht.
19Zo vergaat zijn leven door de mot Uit het stof ervan schieten anderen op.
19Siehe, das ist die Freude seines Wesens; und aus dem Staube werden andere wachsen.”
20Neen, God verwerpt den brave niet, En reikt den boze geen hand.
20Darum siehe, daß Gott nicht verwirft die Frommen und erhält nicht die Hand der Boshaften,
21Nog wordt uw mond met lachen vervuld, En uw lippen met jubel;
21bis daß dein Mund voll Lachens werde und deine Lippen voll Jauchzens.
22Maar uw haters worden met schande bedekt, De tent der bozen verdwijnt!
22Die dich aber hassen, werden zu Schanden werden, und der Gottlosen Hütte wird nicht bestehen.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.