Job
Chapter 14
Petrus Canisius Bible, 1…
vs Lutherbibel 1912
Aa
Text size
Line width
Verse numbers
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Lutherbibel 1912
1De mens, geboren uit een vrouw, Leeft korte tijd en vol ellende;
1Der Mensch, vom Weibe geboren, lebt kurze Zeit und ist voll Unruhe,
2Hij ontluikt en verwelkt als een bloem, Vliedt heen als een schaduw, en houdt geen stand:
2geht auf wie eine Blume und fällt ab, flieht wie ein Schatten und bleibt nicht.
3En op zo een vestigt Gij uw oog, En daagt Gij voor uw gericht!
3Und du tust deine Augen über einen solchen auf, daß du mich vor dir ins Gericht ziehest.
4Kan een reine uit een onreine komen? Niet een!
4Kann wohl ein Reiner kommen von den Unreinen? Auch nicht einer.
5Maarwanneer dus zijn dagen zijn vastgesteld, Het getal zijner maanden door U is bepaald, Gij hem zijn grens hebt gesteld, die hij niet overschrijdt:
5Er hat seine bestimmte Zeit, die Zahl seiner Monden steht bei dir; du hast ein Ziel gesetzt, das wird er nicht überschreiten.
6Wend dan uw blik van Hem af, en laat hem met rust, Tot hij zijn dagtaak als een huurling volbracht heeft!
6So tu dich von ihm, daß er Ruhe habe, bis daß seine Zeit komme, deren er wie ein Tagelöhner wartet.
7Ja, voor een boom is er hoop, als hij wordt omgehakt: Hij loopt weer uit, en zijn loten houden niet op.
7Ein Baum hat Hoffnung, wenn er schon abgehauen ist, daß er sich wieder erneue, und seine Schößlinge hören nicht auf.
8Al is ook zijn wortel in de bodem verouderd, Afgestorven zijn tronk in het stof:
8Ob seine Wurzel in der Erde veraltet und sein Stamm im Staub erstirbt,
9Hij bot weer uit, zodra hij het water maar ruikt, Schiet takken als een jonge plant.
9so grünt er doch wieder vom Geruch des Wassers und wächst daher, als wäre er erst gepflanzt.
10Maar sterft een mens, ontzield blijft hij liggen Geeft hij de geest, hij is er niet meer.
10Aber der Mensch stirbt und ist dahin; er verscheidet, und wo ist er?
11Zoals water wegvloeit uit de zee, De rivier leegloopt en uitdroogt:
11Wie ein Wasser ausläuft aus dem See, und wie ein Strom versiegt und vertrocknet,
12Zo legt de mens zich neer, en staat niet meer op En wordt niet wakker uit zijn slaap. 14:12b Zolang de hemel bestaat, ontwaken zij niet!
12so ist ein Mensch, wenn er sich legt, und wird nicht aufstehen und wird nicht aufwachen, solange der Himmel bleibt, noch von seinem Schlaf erweckt werden.
13Ach, als Gij mij in het dodenrijk mocht verschuilen, Mij verbergen, tot uw toorn is bedaard, Mij een tijdstip bepalen, en dan aan mij denken,
13Ach daß du mich in der Hölle verdecktest und verbärgest, bis dein Zorn sich lege, und setztest mir ein Ziel, daß du an mich dächtest.
14Den mens na zijn dood deedt herleven: Dan zou ik al de dagen van mijn harde dienst blijven wachten, Tot mijn aflossing komt!
14Wird ein toter Mensch wieder leben? Alle Tage meines Streites wollte ich harren, bis daß meine Veränderung komme!
15Hoe zou ik dan antwoorden, als Gij riept Als Gij het werk uwer handen verlangend kwaamt zoeken!
15Du würdest rufen und ich dir antworten; es würde dich verlangen nach dem Werk deiner Hände.
16Terwijl Gij thans mijn schreden telt, Zoudt Gij niet langer op mijn zonden meer loeren,
16Jetzt aber zählst du meine Gänge. Hast du nicht acht auf meine Sünden?
17Maar in een buidel mijn overtreding verzegelen, En mijn fouten bedekken!
17Du hast meine Übertretungen in ein Bündlein versiegelt und meine Missetat zusammengefaßt.
18Maar zoals een berg ineenstort, Een rots van haar plaats wordt gerukt,
18Zerfällt doch ein Berg und vergeht, und ein Fels wird von seinem Ort versetzt;
19Het water de stenen uitholt, Een stortregen de aardbodem wegspoelt: Zo slaat Gij de hoop der mensen de bodem in,
19Wasser wäscht Steine weg, und seine Fluten flößen die Erde weg: aber des Menschen Hoffnung ist verloren;
20Gij slaat hem neer, hij gaat heen voor altijd; Gij verbleekt zijn gelaat, en zendt hem weg.
20denn du stößest ihn gar um, daß er dahinfährt, veränderst sein Wesen und lässest ihn fahren.
21Zijn zonen mogen worden geëerd: hij ziet het niet; Tot schande komen: hij bemerkt het niet.
21Sind seine Kinder in Ehren, das weiß er nicht; oder ob sie gering sind, des wird er nicht gewahr.
22Slechts over zijn eigen lichaam voelt hij smart, Blijft over zijn eigen ziel in droefheid gedompeld!
22Nur sein eigen Fleisch macht ihm Schmerzen, und seine Seele ist ihm voll Leides.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.