Job 21
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Lutherbibel 1912
1Job antwoordde, en sprak:
1Hiob antwortete und sprach:
2Luistert aandachtig naar wat ik ga zeggen; En dat uw troost zich daartoe bepale!
2Hört doch meiner Rede zu und laßt mir das anstatt eurer Tröstungen sein!
3Laat mij uitspreken op mijn beurt, Wanneer ik klaar ben, kunt ge spotten!
3Vertragt mich, daß ich auch rede, und spottet darnach mein!
4Heb ik me soms over mensen beklaagd, Of heb ik geen grond, om mismoedig te zijn?
4Handle ich denn mit einem Menschen? oder warum sollte ich ungeduldig sein?
5Ziet mij aan, en staat verstomd, En legt uw hand op de mond!
5Kehrt euch her zu mir; ihr werdet erstarren und die Hand auf den Mund legen müssen.
6Wanneer ik er aan denk, sta ik verbijsterd, En huivert mijn vlees:
6Wenn ich daran denke, so erschrecke ich, und Zittern kommt mein Fleisch an.
7“Waarom blijven de bozen in leven Worden zij oud en groeien in kracht?”
7Warum leben denn die Gottlosen, werden alt und nehmen zu an Gütern?
8Hun kroost gedijt voor hun aanschijn, Hun geslacht houdt stand voor hun ogen;
8Ihr Same ist sicher um sie her, und ihre Nachkömmlinge sind bei ihnen.
9Hun huizen zijn veilig en zonder vrees, Gods roede valt er niet op neer.
9Ihr Haus hat Frieden vor der Furcht, und Gottes Rute ist nicht über ihnen.
10Hun stier bespringt en bevrucht, Hun koeien kalven en hebben geen misdracht;
10Seinen Stier läßt man zu, und es mißrät ihm nicht; seine Kuh kalbt und ist nicht unfruchtbar.
11Als een kudde laten ze hun jongens naar buiten, En hun kinderen springen rond.
11Ihre jungen Kinder lassen sie ausgehen wie eine Herde, und ihre Knaben hüpfen.
12Ze zingen bij pauken en citer, Vermaken zich bij de tonen der fluit;
12Sie jauchzen mit Pauken und Harfen und sind fröhlich mit Flöten.
13Ze slijten hun dagen in weelde, En dalen in vrede ten grave.
13Sie werden alt bei guten Tagen und erschrecken kaum einen Augenblick vor dem Tode,
14Toch zeggen ze tot God: Blijf verre van ons, We willen uw wegen niet kennen!
14die doch sagen zu Gott: “Hebe dich von uns, wir wollen von deinen Wegen nicht wissen!
15Wat is de Almachtige, dat we Hem zouden dienen; Wat baat het ons, te smeken tot Hem?
15Wer ist der Allmächtige, daß wir ihm dienen sollten? oder was sind wir gebessert, so wir ihn anrufen?”
16Ligt hun geluk niet in hun eigen hand, Bemoeit Hij Zich wel met de plannen der bozen?
16“Aber siehe, ihr Glück steht nicht in ihren Händen; darum soll der Gottlosen Sinn ferne von mir sein.”
17Hoe dikwijls gaat de lamp der bozen wel uit, En stort er rampspoed op hen neer? Hoe dikwijls vernielt Hij de slechten in zijn toorn, Grijpen de weeën hen aan in zijn gramschap;
17Wie oft geschieht's denn, daß die Leuchte der Gottlosen verlischt und ihr Unglück über sie kommt? daß er Herzeleid über sie austeilt in seinem Zorn?
18Worden zij als stro voor de wind, Als kaf, opgejaagd door de storm?
18daß sie werden wie Stoppeln vor dem Winde und wie Spreu, die der Sturmwind wegführt?
19Gij zegt: God wreekt zijn misdaad op zijn kinderen, En zal hem zo zijn wraak laten voelen!
19“Gott spart desselben Unglück auf seine Kinder”. Er vergelte es ihm selbst, daß er's innewerde.
20Maar zijn eigen ogen moesten zijn rampspoed aanschouwen, Zelf moest hij de toorn van den Almachtige drinken!
20Seine Augen mögen sein Verderben sehen, und vom Grimm des Allmächtigen möge er trinken.
21Want wat bekommert hij zich om zijn gezin na zijn dood, Wanneer het getal zijner maanden ten einde is?
21Denn was ist ihm gelegen an seinem Hause nach ihm, wenn die Zahl seiner Monden ihm zugeteilt ist?
22Zou men soms God de les willen lezen, Hij, die de hemelingen richt?
22Wer will Gott lehren, der auch die Hohen richtet?
23En de een gaat dood, geheel voldaan, Volkomen gelukkig en rustig,
23Dieser stirbt frisch und gesund in allem Reichtum und voller Genüge,
24Zijn lenden vol vet, Het merg in zijn beenderen nog fris.
24sein Melkfaß ist voll Milch, und seine Gebeine werden gemästet mit Mark;
25De ander sterft met een verbitterd gemoed, Zonder ooit het geluk te hebben gesmaakt!
25jener aber stirbt mit betrübter Seele und hat nie mit Freuden gegessen;
26Tezamen liggen ze neer in het stof, Door de wormen bedekt!
26und liegen gleich miteinander in der Erde, und Würmer decken sie zu.
27Zeker, ik ken uw gedachten, En de bedenkingen, die gij tegen mij aanvoert;
27Siehe, ich kenne eure Gedanken wohl und euer frevles Vornehmen gegen mich.
28Gij zegt: “Waar is het huis van den tyran, Waar de tent, waar de bozen in wonen?”
28Denn ihr sprecht: “Wo ist das Haus des Fürsten? und wo ist die Hütte, da die Gottlosen wohnten?”
29Hebt gij de reizigers dan nooit ondervraagd, Of aanvaardt gij hun getuigenis niet:
29Habt ihr denn die Wanderer nicht befragt und nicht gemerkt ihre Zeugnisse?
30“De boze blijft gespaard op de dag van verderf, En ontsnapt op de dag van de gramschap!”
30Denn der Böse wird erhalten am Tage des Verderbens, und am Tage des Grimms bleibt er.
31Wie houdt hem zijn wandel voor ogen, Wie zet hem betaald wat hij deed?
31Wer will ihm ins Angesicht sagen, was er verdient? wer will ihm vergelten, was er tut?
32Hij wordt ten grave gedragen, En een tombe houdt er de wacht.
32Und er wird zu Grabe geleitet und hält Wache auf seinem Hügel.
33Zacht ligt hij neer Op de kluiten in het dal; Heel de wereld trekt achter hem aan, Talloos velen lopen uit voor zijn stoet.
33Süß sind ihm die Schollen des Tales, und alle Menschen ziehen ihm nach; und derer, die ihm vorangegangen sind, ist keine Zahl.
34Wat is uw vertroosting dus schraal, Uw antwoord anders dan leugens!
34Wie tröstet ihr mich so vergeblich, und eure Antworten finden sich unrecht!
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.