Job 21
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Clementine Vulgate, 1598
1Job antwoordde, en sprak:
1Respondens autem Job, dixit:
2Luistert aandachtig naar wat ik ga zeggen; En dat uw troost zich daartoe bepale!
2[Audite, quæso, sermones meos, et agite pœnitentiam.
3Laat mij uitspreken op mijn beurt, Wanneer ik klaar ben, kunt ge spotten!
3Sustinete me, et ego loquar: et post mea, si videbitur, verba, ridete.
4Heb ik me soms over mensen beklaagd, Of heb ik geen grond, om mismoedig te zijn?
4Numquid contra hominem disputatio mea est, ut merito non debeam contristari?
5Ziet mij aan, en staat verstomd, En legt uw hand op de mond!
5Attendite me et obstupescite, et superponite digitum ori vestro.
6Wanneer ik er aan denk, sta ik verbijsterd, En huivert mijn vlees:
6Et ego, quando recordatus fuero, pertimesco, et concutit carnem meam tremor.
7“Waarom blijven de bozen in leven Worden zij oud en groeien in kracht?”
7Quare ergo impii vivunt, sublevati sunt, confortatique divitiis?
8Hun kroost gedijt voor hun aanschijn, Hun geslacht houdt stand voor hun ogen;
8Semen eorum permanet coram eis: propinquorum turba et nepotum in conspectu eorum.
9Hun huizen zijn veilig en zonder vrees, Gods roede valt er niet op neer.
9Domus eorum securæ sunt et pacatæ, et non est virga Dei super illos.
10Hun stier bespringt en bevrucht, Hun koeien kalven en hebben geen misdracht;
10Bos eorum concepit, et non abortivit: vacca peperit, et non est privata fœtu suo.
11Als een kudde laten ze hun jongens naar buiten, En hun kinderen springen rond.
11Egrediuntur quasi greges parvuli eorum, et infantes eorum exultant lusibus.
12Ze zingen bij pauken en citer, Vermaken zich bij de tonen der fluit;
12Tenent tympanum et citharam, et gaudent ad sonitum organi.
13Ze slijten hun dagen in weelde, En dalen in vrede ten grave.
13Ducunt in bonis dies suos, et in puncto ad inferna descendunt.
14Toch zeggen ze tot God: Blijf verre van ons, We willen uw wegen niet kennen!
14Qui dixerunt Deo: Recede a nobis, et scientiam viarum tuarum nolumus.
15Wat is de Almachtige, dat we Hem zouden dienen; Wat baat het ons, te smeken tot Hem?
15Quis est Omnipotens, ut serviamus ei? et quid nobis prodest si oraverimus illum?
16Ligt hun geluk niet in hun eigen hand, Bemoeit Hij Zich wel met de plannen der bozen?
16Verumtamen quia non sunt in manu eorum bona sua, consilium impiorum longe sit a me.
17Hoe dikwijls gaat de lamp der bozen wel uit, En stort er rampspoed op hen neer? Hoe dikwijls vernielt Hij de slechten in zijn toorn, Grijpen de weeën hen aan in zijn gramschap;
17Quoties lucerna impiorum extinguetur, et superveniet eis inundatio, et dolores dividet furoris sui?
18Worden zij als stro voor de wind, Als kaf, opgejaagd door de storm?
18Erunt sicut paleæ ante faciem venti, et sicut favilla quam turbo dispergit.
19Gij zegt: God wreekt zijn misdaad op zijn kinderen, En zal hem zo zijn wraak laten voelen!
19Deus servabit filiis illius dolorem patris, et cum reddiderit, tunc sciet.
20Maar zijn eigen ogen moesten zijn rampspoed aanschouwen, Zelf moest hij de toorn van den Almachtige drinken!
20Videbunt oculi ejus interfectionem suam, et de furore Omnipotentis bibet.
21Want wat bekommert hij zich om zijn gezin na zijn dood, Wanneer het getal zijner maanden ten einde is?
21Quid enim ad eum pertinet de domo sua post se, et si numerus mensium ejus dimidietur?
22Zou men soms God de les willen lezen, Hij, die de hemelingen richt?
22Numquid Deus docebit quispiam scientiam, qui excelsos judicat?
23En de een gaat dood, geheel voldaan, Volkomen gelukkig en rustig,
23Iste moritur robustus et sanus, dives et felix:
24Zijn lenden vol vet, Het merg in zijn beenderen nog fris.
24viscera ejus plena sunt adipe, et medullis ossa illius irrigantur:
25De ander sterft met een verbitterd gemoed, Zonder ooit het geluk te hebben gesmaakt!
25alius vero moritur in amaritudine animæ absque ullis opibus:
26Tezamen liggen ze neer in het stof, Door de wormen bedekt!
26et tamen simul in pulvere dormient, et vermes operient eos.
27Zeker, ik ken uw gedachten, En de bedenkingen, die gij tegen mij aanvoert;
27Certe novi cogitationes vestras, et sententias contra me iniquas.
28Gij zegt: “Waar is het huis van den tyran, Waar de tent, waar de bozen in wonen?”
28Dicitis enim: Ubi est domus principis? et ubi tabernacula impiorum?
29Hebt gij de reizigers dan nooit ondervraagd, Of aanvaardt gij hun getuigenis niet:
29Interrogate quemlibet de viatoribus, et hæc eadem illum intelligere cognoscetis:
30“De boze blijft gespaard op de dag van verderf, En ontsnapt op de dag van de gramschap!”
30quia in diem perditionis servatur malus, et ad diem furoris ducetur.
31Wie houdt hem zijn wandel voor ogen, Wie zet hem betaald wat hij deed?
31Quis arguet coram eo viam ejus? et quæ fecit, quis reddet illi?
32Hij wordt ten grave gedragen, En een tombe houdt er de wacht.
32Ipse ad sepulchra ducetur, et in congerie mortuorum vigilabit.
33Zacht ligt hij neer Op de kluiten in het dal; Heel de wereld trekt achter hem aan, Talloos velen lopen uit voor zijn stoet.
33Dulcis fuit glareis Cocyti, et post se omnem hominem trahet, et ante se innumerabiles.
34Wat is uw vertroosting dus schraal, Uw antwoord anders dan leugens!
34Quomodo igitur consolamini me frustra, cum responsio vestra repugnare ostensa sit veritati?]
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.