Job 4
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Clementine Vulgate, 1598
1Elifaz van Teman nam het woord, en sprak:
1Respondens autem Eliphaz Themanites, dixit:
2Zullen wij het woord tot u richten, tot u, zo verslagen? Maar wie zou zijn woorden kunnen bedwingen?
2[Si cœperimus loqui tibi, forsitan moleste accipies; sed conceptum sermonem tenere quis poterit?
3Zie, zelf hebt ge velen terecht gewezen, En slappe handen gesterkt;
3Ecce docuisti multos, et manus lassas roborasti;
4Uw woorden hebben struikelenden opgericht, Knikkende knieën hebt ge spierkracht verleend:
4vacillantes confirmaverunt sermones tui, et genua trementia confortasti.
5Maar nu het ú overkomt, nu zijt ge verslagen, Nu het ú treft, verbijsterd!
5Nunc autem venit super te plaga, et defecisti; tetigit te, et conturbatus es.
6Was dan uw vroomheid niet uw hoop, Uw onberispelijke wandel niet uw vertrouwen?
6Ubi est timor tuus, fortitudo tua, patientia tua, et perfectio viarum tuarum?
7Denk eens na: wie kwam ooit onschuldig om, Of waar ter wereld werden rechtvaardigen verdelgd?
7Recordare, obsecro te, quis umquam innocens periit? aut quando recti deleti sunt?
8Ik heb altijd gezien: Die onheil ploegen En rampspoed zaaien, die oogsten ze ook!
8Quin potius vidi eos qui operantur iniquitatem, et seminant dolores, et metunt eos,
9Door Gods adem gaan ze te gronde, Door zijn ziedende gramschap komen ze om:
9flante Deo perisse, et spiritu iræ ejus esse consumptos.
10Het gebrul van den leeuw en het gehuil van den luipaard verstomt. De tanden der leeuwenwelpen worden stuk gebroken;
10Rugitus leonis, et vox leænæ, et dentes catulorum leonum contriti sunt.
11De leeuwin komt om bij gebrek aan prooi, De jongen van de leeuwinnen worden uiteen gejaagd!
11Tigris periit, eo quod non haberet prædam, et catuli leonis dissipati sunt.
12Eens drong een woord in het diepste geheim tot mij door En mijn oor ving er het gefluister van op.
12Porro ad me dictum est verbum absconditum, et quasi furtive suscepit auris mea venas susurri ejus.
13Het was in een nachtgezicht, uit dromen geboren, Wanneer een diepe slaap de mensen bevangt:
13In horrore visionis nocturnæ, quando solet sopor occupare homines,
14Schrik en siddering grepen mij aan, En al mijn beenderen rilden van angst;
14pavor tenuit me, et tremor, et omnia ossa mea perterrita sunt;
15Een ademtocht streek langs mijn gelaat, En deed mijn haren ten berge rijzen.
15et cum spiritus, me præsente, transiret, inhorruerunt pili carnis meæ.
16Daar stond er één voor mij, Wiens gelaat ik niet kon herkennen; Een gestalte zweefde voor mijn oog, En ik hoorde het fluisteren van een stem:
16Stetit quidam, cujus non agnoscebam vultum, imago coram oculis meis, et vocem quasi auræ lenis audivi.
17Is een mens ooit rechtvaardig voor God, Een mensenkind rein voor zijn Schepper?
17Numquid homo, Dei comparatione, justificabitur? aut factore suo purior erit vir?
18Zie, zelfs op zijn dienaars kan Hij niet bouwen, Zelfs in zijn engelen ontdekt Hij gebreken.
18Ecce qui serviunt ei, non sunt stabiles, et in angelis suis reperit pravitatem;
19Hoeveel te meer in hen, die lemen hutten bewonen, Wier fundament in het stof is gelegd, En die als motten worden doodgetrapt,
19quanto magis hi qui habitant domos luteas, qui terrenum habent fundamentum, consumentur velut a tinea?
20Van ‘s morgens tot ‘s avonds te pletter gedrukt; Die zonder dat men er acht op slaat, Voor eeuwig vergaan;
20De mane usque ad vesperam succidentur; et quia nullus intelligit, in æternum peribunt.
21Die, als hun tentpin wordt uitgerukt, Gaan sterven, eer zij het weten!
21Qui autem reliqui fuerint, auferentur ex eis; morientur, et non in sapientia.]
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.