Job 4
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Diodati Bibbia 1885
1Elifaz van Teman nam het woord, en sprak:
1ED Elifaz Temanita rispose, e disse:
2Zullen wij het woord tot u richten, tot u, zo verslagen? Maar wie zou zijn woorden kunnen bedwingen?
2Se noi imprendiamo a parlarti, ti sarà egli molesto? Ma pur chi potrebbe rattener le parole?
3Zie, zelf hebt ge velen terecht gewezen, En slappe handen gesterkt;
3Ecco, tu correggevi molti, E rinforzavi le mani rimesse.
4Uw woorden hebben struikelenden opgericht, Knikkende knieën hebt ge spierkracht verleend:
4I tuoi ragionamenti ridirizzavano quelli che vacillavano, E tu raffermavi le ginocchia che piegavano.
5Maar nu het ú overkomt, nu zijt ge verslagen, Nu het ú treft, verbijsterd!
5Ma ora che il male ti è avvenuto, tu te ne affanni; Ora ch'è giunto fino a te, tu ne sei smarrito.
6Was dan uw vroomheid niet uw hoop, Uw onberispelijke wandel niet uw vertrouwen?
6La tua pietà non è ella stata la tua speranza, E l'integrità delle tue vie la tua aspettazione?
7Denk eens na: wie kwam ooit onschuldig om, Of waar ter wereld werden rechtvaardigen verdelgd?
7Deh! rammemorati, quale innocente perì mai, Ed ove furono gli uomini diritti mai distrutti?
8Ik heb altijd gezien: Die onheil ploegen En rampspoed zaaien, die oogsten ze ook!
8Siccome io ho veduto che quelli che arano l'iniquità, E seminano la perversità, la mietono.
9Door Gods adem gaan ze te gronde, Door zijn ziedende gramschap komen ze om:
9Essi periscono per l'alito di Dio, E son consumati dal soffiar delle sue nari.
10Het gebrul van den leeuw en het gehuil van den luipaard verstomt. De tanden der leeuwenwelpen worden stuk gebroken;
10Il ruggito del leone, e il grido del fier leone son ribattuti ; E i denti de' leoncelli sono stritolati.
11De leeuwin komt om bij gebrek aan prooi, De jongen van de leeuwinnen worden uiteen gejaagd!
11Il vecchio leone perisce per mancamento di preda, E i figli della leonessa son dissipati.
12Eens drong een woord in het diepste geheim tot mij door En mijn oor ving er het gefluister van op.
12Or mi è stata di nascosto significata una parola, E l'orecchio mio ne ha ritenuto un poco.
13Het was in een nachtgezicht, uit dromen geboren, Wanneer een diepe slaap de mensen bevangt:
13Fra le immaginazioni delle visioni notturne, Quando il più profondo sonno cade sopra gli uomini,
14Schrik en siddering grepen mij aan, En al mijn beenderen rilden van angst;
14Mi è venuto uno spavento ed un tremito, Che ha spaventate tutte quante le mie ossa.
15Een ademtocht streek langs mijn gelaat, En deed mijn haren ten berge rijzen.
15Ed uno spirito è passato davanti a me, Che mi ha fatto arricciare i peli della mia carne;
16Daar stond er één voor mij, Wiens gelaat ik niet kon herkennen; Een gestalte zweefde voor mijn oog, En ik hoorde het fluisteren van een stem:
16Egli si è fermato, ed io non ho riconosciuto il suo aspetto; Una sembianza è stata davanti agli occhi miei, Ed io ho udita una voce sommessa che diceva:
17Is een mens ooit rechtvaardig voor God, Een mensenkind rein voor zijn Schepper?
17L'uomo sarebbe egli giustificato da Dio? L'uomo sarebbe egli giudicato puro dal suo fattore?
18Zie, zelfs op zijn dienaars kan Hij niet bouwen, Zelfs in zijn engelen ontdekt Hij gebreken.
18Ecco, egli non si fida ne' suoi servitori, E scorge della temerità ne' suoi Angeli.
19Hoeveel te meer in hen, die lemen hutten bewonen, Wier fundament in het stof is gelegd, En die als motten worden doodgetrapt,
19Quanto più in coloro che abitano in case di fango, Il cui fondamento è nella polvere, E che son ridotti in polvere, esposti a' vermi?
20Van ‘s morgens tot ‘s avonds te pletter gedrukt; Die zonder dat men er acht op slaat, Voor eeuwig vergaan;
20Dalla mattina alla sera sono stritolati, E periscono in perpetuo, senza che alcuno vi ponga mente.
21Die, als hun tentpin wordt uitgerukt, Gaan sterven, eer zij het weten!
21L'eccellenza ch'era in loro non si diparte ella? Muoiono, ma non con sapienza.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.