Job
Chapter 11
Petrus Canisius Bible, 1…
vs Diodati Bibbia 1885
Aa
Text size
Line width
Verse numbers
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Diodati Bibbia 1885
1Daarop nam Sofar van Naäma het woord, en sprak:
1E SOFAR Naamatita rispose e disse:
2Zo’n praatvaar zou onbeantwoord blijven, Zo’n held met de lippen in het gelijk gesteld;
2Non risponderebbesi egli ad un uomo di tante parole? Ed un uomo loquace sarebbe egli per ciò reputato giusto?
3Uw zwetsen zou anderen tot zwijgen brengen, Uw onzinnig gebrabbel door niemand worden beschaamd?
3Faranno le tue ciancie tacer gli uomini? Ti farai tu beffe, senza che alcuno ti faccia vergogna?
4Gij zegt tot God: Mijn wandel is rein, Ik ben onberispelijk in uw oog!
4Or tu hai detto: La mia maniera di vita è pura, Ed io sono stato netto davanti agli occhi tuoi.
5Wilde God maar eens spreken, Zijn lippen tegen u openen,
5Ma volesse pure Iddio parlare, Ed aprir le sue labbra teco;
6U de geheimen der Wijsheid ontvouwen, Die zo moeilijk zijn te verstaan: Dan zoudt ge erkennen, dat God van u eist, Wat uw misdaad verdient.
6E dichiararti i segreti della sapienza; Perciocchè sono doppi; E tu conosceresti che Iddio ti fa portar pena minore Che la tua iniquità non merita di ragione.
7Zoudt ge de diepten Gods kunnen peilen, De alwetendheid van den Almachtige doorgronden?
7Potresti tu trovar modo d'investigare Iddio? Potresti tu trovar l'Onnipotente in perfezione?
8Zij is hoger nog dan de hemelen: Wat kunt ge beginnen; Dieper nog dan de onderwereld: Wat kunt ge begrijpen;
8Queste cose sono le altezze de' cieli, che ci faresti? Son più profonde che l'inferno, come le conosceresti?
9Haar meetsnoer is langer dan de aarde, En breder nog dan de zee!
9La lor distesa è più lunga che la terra, E la lor larghezza è più grande che il mare.
10Als hij iets laat passeren, het verborgen houdt, Of het ruchtbaar maakt: wie zal Hem weerhouden?
10Se Iddio sovverte, ovvero s'egli serra, E raccoglie, chi ne lo storrà?
11Want Hij doorschouwt de bedriegelijke mensen; Hij kent het kwaad, het ontgaat Hem niet!
11Perciocchè egli conosce gli uomini vani; E veggendo l'iniquità, non vi porrebbe egli mente?
12Maar een leeghoofd zal dit eerst begrijpen, Als het jong van een ezel een mensenkind wordt!
12Ma l'uomo è scemo di senno, e temerario di cuore; E nasce simile a un puledro di un asino salvatico.
13Maar wanneer gij er acht op wilt slaan, En tot Hem uw handen verheft,
13Se tu addirizzi il cuor tuo, E spieghi le palme delle tue mani a lui;
14De misdaad uit uw hand verwijdert, En in uw tenten geen onrecht laat wonen:
14Se vi è iniquità nella tua mano, e tu l'allontani da te , E non lasci dimorare alcuna perversità ne' tuoi tabernacoli;
15Dan heft ge smetteloos het hoofd omhoog, Dan staat ge vast, en behoeft niet te vrezen.
15Allora certamente tu alzerai la faccia netta di macchia, E sarai stabilito, e non avrai paura di nulla ;
16Ja, dan zult ge de ellende vergeten, Er aan denken als aan water, dat voorbij is gestroomd;
16Perciocchè tu dimenticherai gli affanni, E te ne ricorderai come d'acque trascorse;
17Dan rijst uw leven klaarder nog dan de middag, En uw duisternis zal als de morgen zijn;
17E ti si leverà un tempo più chiaro che il mezzodì; Tu risplenderai, tu sarai simile alla mattina;
18Dan zult ge vertrouwen, Want er is weer hoop! Dan gaat ge weer slapen onder veilige hoede,
18E sarai in sicurtà; perciocchè vi sarà che sperare; E pianterai il tuo padiglione, e giacerai sicuramente;
19Dan legt ge u neer, en schrikt niemand u op; Dan dingen velen naar uw gunst,
19E ti coricherai, e niuno ti spaventerà; E molti ti supplicheranno.
20Terwijl de ogen der bozen versmachten: Want die blijven van iedere toevlucht verstoken, Hun enige hoop is hun laatste zucht!
20Ma gli occhi degli empi verranno meno, Ed ogni rifugio sarà perduto per loro; E la loro unica speranza sarà di render lo spirito.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.