Job
Chapter 37
Petrus Canisius Bible, 1…
vs Diodati Bibbia 1885
Aa
Text size
Line width
Verse numbers
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Diodati Bibbia 1885
1Ja, hierover siddert mijn hart, En springt op van zijn plaats.
1Il cuor mi trema eziandio di questo, E si muove dal luogo suo.
2Hoort, hoort het bulderen van zijn stem, Het gebrom, dat komt uit zijn mond.
2Udite pure il suo tremendo tuono, E il mormorare ch' esce dalla sua bocca.
3Langs heel de hemel slingert Hij zijn bliksem, En tot de grenzen der aarde.
3Egli lo lancia sotto tutti i cieli, E la sua fiamma sopra le estremità della terra;
4Zijn stem gromt achter Hem aan, Hij dondert met zijn machtige kreet; Hij houdt de bliksem niet terug, Wanneer zijn stem zich laat horen.
4Dopo la quale rugge il tuono; egli tuona con la voce della sua altezza, E non indugia quelle cose, dopo che la sua voce è stata udita.
5Maar ook wonderen wrocht God door zijn stem, Doet grote, onbegrijpelijke dingen!
5Iddio tuona maravigliosamente con la sua voce; Egli fa cose tanto grandi, che noi non possiam comprenderle.
6Hij spreekt tot de sneeuw: Val op aarde neer; Tot de regenstromen: Weest hevig!
6Perciocchè egli dice alla neve: Cadi in su la terra; E parimente al nembo della pioggia, al nembo delle sue forti piogge.
7Dan sluit Hij alle mensen op, Opdat ieder sterveling zijn werk erkent;
7Egli rinchiude ogni uomo in casa, Come per riconoscer tutti i suoi lavoratori.
8Ook de dieren zoeken hun schuilplaats op, En leggen zich neer in hun holen.
8E le fiere se n'entrano ne' lor nascondimenti, E dimorano ne' lor ricetti.
9Uit zijn kamer komt de wervelwind, Uit zijn voorraadschuren de koude;
9La tempesta viene dall'Austro, E il freddo dal Settentrione.
10Door de adem Gods wordt het ijs gestolten, De watervlakte in boeien gelegd;
10Iddio, col suo soffio, produce il ghiaccio, E fa che le acque che si diffondevano diventano come di metallo.
11Het zwerk belaadt Hij met dampen, En spreidt zijn lichtende wolken uit.
11Egli stanca eziandio le nuvole in adacquar la terra , E disperge le nubi con la sua luce.
12Ze zweven naar alle kanten rond, En gaan, zoals Hij het beschikt, Om te volbrengen, wat Hij hun gebiedt, Op de oppervlakte der aarde:
12Ed esse si rivolgono in molti giri, secondo gli ordini suoi Intorno a ciò che hanno a fare, Secondo tutto quello ch'egli comanda loro di fare In su la faccia del mondo, nella terra;
13Is het tot straf, ze volbrengen zijn wil; Is het tot zegen, ze voeren hem uit.
13Facendole venire, o per castigo, O per la sua terra, o per alcun beneficio.
14Job, schenk er uw aandacht aan, Houd op, en let op Gods wonderen!
14Porgi l'orecchio a questo, o Giobbe; Fermati, e considera le maraviglie di Dio.
15Begrijpt ge, hoe God ze gebiedt, En het licht van zijn wolken doet flitsen;
15Sai tu, come Iddio dispone di esse, E come egli fa risplender la luce della sua nuvola?
16Begrijpt ge iets van het zweven der wolken, Van de wonderwerken van den Alwetende?
16Intendi tu come le nuvole son bilanciate? Conosci tu le maraviglie di colui che è perfetto in ogni scienza?
17Gij, wiens kleren te warm zijn, Als de aarde amechtig van de zuidenwind ligt:
17Come i tuoi vestimenti son caldi, Quando egli acqueta l'Austro in su la terra?
18Kunt gij, evenals Hij, het zwerk tot een uitspansel strijken, Vast als een spiegel van gegoten metaal?
18Hai tu con lui distesi i cieli, I quali son sodi, come uno specchio di metallo?
19Laat mij weten, wat wij Hem zullen zeggen, Wij, die door de duisternis hulpeloos staan!
19Insegnaci ciò che noi gli diremo; Poichè , per cagione delle nostre tenebre, noi non possiam bene ordinare i nostri ragionamenti .
20Zal deze wijken wanneer ik het zeg; Worden weggevaagd, als de mens het beveelt?
20Gli sarebbe egli rapportato quando io avessi parlato? Se vi fosse alcuno che ne parlasse, certo egli sarebbe abissato.
21Neen, thans aanschouwt men geen licht, Het is door de wolken verduisterd; Maar een wind steekt op, en bezemt ze weg:
21Ecco pure gli uomini non possono riguardare il sole, Quando egli risplende nel cielo, Dopo che il vento è passato, e l'ha spazzato;
22En uit het Noorden breekt de goudglans door! God is van ontzagwekkende luister omringd:
22E che dal Settentrione è venuta la dorata serenità; Or Iddio ha intorno a sè una tremenda maestà.
23Wij dringen dus niet tot den Almachtige door! Hij is groot in kracht en gerechtigheid; Hij is de Heer van het recht, die nimmer verdrukt!
23Egli è l'Onnipotente, noi non possiam trovarlo; Egli è grande in forza, Ed in giudicio, ed in grandezza di giustizia; Egli non oppressa alcuno ;
24Daarom moeten de mensen Hem vrezen, Doorgronden Hem al de wijzen niet!
24Perciò gli uomini lo temono; Alcun uomo, benchè savio di cuore, no 'l può vedere.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.