Job 6
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Diodati Bibbia 1885
1Job antwoordde, en sprak:
1E GIOBBE rispose e disse:
2Ach, mocht mijn wrevel worden gewogen, Maar tegelijk met mijn leed op de weegschaal gelegd:
2Fosse pur lo sdegno mio ben pesato, E fosse parimente la mia calamità levata in una bilancia!
3Want omdat het zwaarder is dan het zand aan de zee, Daarom gingen ook mijn woorden de perken te buiten.
3Perciocchè ora sarebbe trovata più pesante che la rena del mare; E però le mie parole vanno all'estremo.
4Ja, de pijlen van den Almachtige blijven in mij steken, Mijn geest zuigt er het gif van op; De verschrikkingen Gods Stellen zich tegen mij in slagorde op!
4Perchè le saette dell'Onnipotente sono dentro di me, E lo spirito mio ne beve il veleno; Gli spaventi di Dio sono ordinati in battaglia contro a me.
5Balkt soms de woudezel bij het gras Of loeit het rund bij zijn kribbe?
5L'asino salvatico raglia egli presso all'erba? Il bue mugghia egli presso alla sua pastura?
6Kan het laffe zonder zout worden gegeten, Of is er smaak aan het wit van een ei?
6Una cosa insipida si mangia ella senza sale? Evvi sapore nella chiara ch'è intorno al torlo dell'uovo?
7Neen, ik weiger, het aan te raken, Ze zijn voor mij een walgelijke spijs!
7Le cose che l'anima mia avrebbe ricusate pur di toccare Sono ora i miei dolorosi cibi.
8Ach, dat mijn bede werd verhoord, En dat God mijn wens mocht vervullen;
8Oh! venisse pur quel ch'io chieggio, E concedesse mi Iddio quel ch'io aspetto!
9Dat het God behaagde, mij te verpletteren, Zijn hand zich bewoog, om mij weg te maaien.
9E piacesse a Dio di tritarmi, Di sciorre la sua mano, e di disfarmi!
10Dat zou een troost voor mij zijn, En ik danste ondanks mijn leed: “Hij spaart mij niet, Omdat ik den Heilige mijn wens niet verzweeg!”.
10Questa sarebbe pure ancora la mia consolazione, Benchè io arda di dolore, e ch'egli non mi risparmi, Che io non ho nascoste le parole del Santo.
11Want wat is mijn kracht, dat ik nu nog zou wachten, Wat mijn uitzicht, dat ik langer zou leven?
11Quale è la mia forza, per isperare? E quale è il termine che mi è posto, per prolungar l'aspettazione del l'anima mia?
12Is mijn kracht soms als die van een steen, Is mijn vlees soms van brons?
12La mia forza è ella come la forza delle pietre? La mia carne è ella di rame?
13Ben ik niet geheel van redding verstoken, Is iedere hulp mij niet ontzegd?
13Non è egli così che io non ho più alcun ristoro in me? E che ogni modo di sussistere è cacciato lontan da me?
14Maar wie zijn vriend barmhartigheid weigert, Verzaakt de vrees voor den Almachtige!
14Benignità dovrebbe essere usata dall'amico inverso colui ch'è tutto strutto; Ma esso ha abbandonato il timor dell'Onnipotente,
15Toch zijn mijn broeders als een beek onbetrouwbaar, Als een stortbeek, die wegstroomt:
15I miei fratelli mi hanno fallito, a guisa di un ruscello, Come rapidi torrenti che trapassano via;
16Die bedekt zijn met ijs, Of bedolven onder sneeuw;
16I quali sono scuri per lo ghiaccio; E sopra cui la neve si ammonzicchia;
17Zodra de hitte komt, drogen zij uit, Zodra het warm wordt, zijn ze verdwenen.
17Ma poi , al tempo che corrono, vengono meno, Quando sentono il caldo, spariscono dal luogo loro.
18Ze buigen af van de weg, die ze gaan, En verliezen zich in de woestijn;
18I sentieri del corso loro si contorcono, Essi si riducono a nulla, e si perdono.
19De karavanen van Tema zien er naar uit, De convooien van Sjeba hebben er hun hoop op gevestigd:
19Le schiere de' viandanti di Tema li riguardavano, Le carovane di Seba ne aveano presa speranza;
20Maar ze worden in hun verwachting beschaamd, Staan bij hun aankomst te schande.
20Ma si vergognano di esservisi fidati; Essendo giunti fin là, sono confusi.
21Zo zijt gij voor mij nu geworden: Gij aanschouwt mijn ellende, en beangst deinst gij terug!
21Perciocchè ora voi siete venuti a niente; Avete veduta la ruina, ed avete avuta paura.
22Heb ik gevraagd: Geeft mij iets ten geschenke, Of staat mij van uw vermogen iets af;
22Vi ho io detto: Datemi, E fate presenti delle vostre facoltà per me?
23Of redt mij uit de hand van den vijand, Bevrijdt mij uit de greep der tyrannen?
23E liberatemi di man del nemico, E riscuotetemi di man de' violenti?
24Neen, onderricht mij, en dan zal ik zwijgen; Laat mij inzien, waarin ik heb gedwaald!
24Insegnatemi, ed io mi tacerò; E ammaestratemi, se pure ho errato in qualche cosa.
25Hoe zoet zijn woorden, die oprecht zijn gemeend, Maar hoe grievend de berisping van u!
25Quanto son potenti le parole di dirittura! E che potrà in esse riprendere alcun di voi?
26Meent gij, mijn woorden te moeten berispen: Woorden van een wanhopige, die in de wind zijn gesproken?
26Stimate voi che parlare sia convincere? E che i ragionamenti di un uomo che ha perduta ogni speranza non sieno altro che vento?
27Wilt gij het lot over een onschuldige werpen, En de staf breken over uw vriend?
27E pure ancora voi vi gittate addosso all'orfano, E cercate di far traboccare il vostro amico.
28Welnu dan, wilt mij aanhoren:Ik lieg u toch niet in het gezicht.
28Ora dunque piacciavi riguardare a me, E se io mento in vostra presenza.
29Bezint u, en laat er geen onrecht geschieden; Bezint u, mijn onschuld zal blijken!
29Deh! ravvedetevi; che non siavi iniquità; Da capo, il dico , ravvedetevi, io son giusto in questo affare .
30Is er soms onrecht op mijn tong, Of kan mijn gehemelte de rampen niet proeven;
30Evvi egli iniquità nella mia lingua? Il mio palato non sa egli discerner le cose perverse?
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.