Job
Chapter 15
Petrus Canisius Bible, 1…
vs Diodati Bibbia 1885
Aa
Text size
Line width
Verse numbers
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Diodati Bibbia 1885
1Elifaz van Teman nam het woord en sprak:
1ED Elifaz Temanita rispose e disse:
2Antwoordt een wijze met bluf, En blaast hij zich op met oostenwind;
2Deve un uomo savio pronunziare opinioni vane, Ed empiersi il ventre di vento orientale?
3Verdedigt hij zich met beuzelpraat En met holle frasen?
3Ed argomentar con parole inutili, E con ragionamenti onde non può trarre alcun vantaggio?
4Gij breekt zowaar de godsvrucht af, En verstoort de overpeinzing voor het aanschijn van God.
4Sì certo, tu annulli il timor di Dio , Ed impedisci l'orazione che deve farsi davanti a lui.
5Daar uw schuldig geweten uw mond onderricht, En gij de taal van bedriegers kiest,
5Perciocchè la tua bocca dimostra la tua iniquità, Poichè tu hai scelto il parlar de' frodolenti.
6Is het uw eigen mond, die u vonnist: niet ik, Zijn het uw eigen lippen, die tegen u getuigen.
6La tua bocca ti condanna, e non io; E le tue labbra testificano contro a te.
7Zijt gij als eerste der mensen geboren, Nog vóór de heuvelen ter wereld gebracht;
7Sei tu il primiero uomo che sia nato nel mondo? O sei tu stato formato avanti i colli?
8Luistert ge toe in de raad van God, En hebt ge beslag op de Wijsheid gelegd?
8Hai tu udito il segreto di Dio, E ne hai tu sottratta a te la sapienza?
9Wat weet gij, wat wij niet weten, Wat begrijpt gij, wat wij niet verstaan?
9Che sai tu, che noi non sappiamo? Che intendi tu, che non sia appo noi?
10Ook onder ons zijn bejaarden en grijsaards, Ouder van dagen nog dan uw vader!
10Fra noi vi è eziandio alcun canuto, alcun molto vecchio, Più attempato che tuo padre.
11Zijn soms voor ú de vertroostingen Gods te gering, Het woord, met zachtheid tot u gesproken?
11Son le consolazioni di Dio troppo poca cosa per te? Hai tu alcuna cosa riposta appo te?
12Hoe sleept uw hartstocht u mee, En hoe rollen uw ogen:
12Perchè ti trasporta il cuor tuo? E perchè ammiccano gli occhi tuoi,
13Dat ge uw wrevel tegen God durft keren, En zulke woorden aan uw mond laat ontglippen!
13Che tu rivolga il tuo soffio, E proferisca della tua bocca parole contro a Dio?
14Wat is een mens, dat hij rein zou zijn, Rechtschapen, die uit een vrouw is geboren?
14Che cosa è l'uomo, ch'egli sia puro? E che cosa è chi è nato di donna, ch'egli sia giusto?
15Zie, zelfs op zijn Heiligen kan Hij niet bouwen, En de hemel is niet rein in zijn oog;
15Ecco, egli non si fida ne' suoi santi, Ed i cieli non son puri nel suo cospetto;
16Hoeveel minder de mens, afschuwelijk, bedorven, Die de ongerechtigheid als water drinkt!
16Quanto più abbominevole e puzzolente È l'uomo, che beve l'iniquità come acqua?
17Ik zal het u tonen, luister naar mij; Wat ik gezien heb, u gaan vertellen.
17Io ti dichiarerò, ascoltami pure, E ti racconterò ciò che io ho veduto;
18Het is hetzelfde, wat de wijzen verkonden, En wat hun vaderen hun niet hadden verborgen,
18Il che i savi hanno narrato, E non l'hanno celato, avendolo ricevuto da' padri loro;
19Aan wie alleen het land was geschonken, En bij wie nog geen vreemde was binnengedrongen
19A' quali soli la terra fu data, E per mezzo i cui paesi non passò mai straniero.
20De goddeloze verkeert heel zijn leven in angst, De tyran al de jaren, die voor hem zijn bedongen;
20L'empio è tormentato tutti i giorni della sua vita; Ed al violento è riposto un piccol numero d'anni.
21Schrikgeluiden treffen zijn oren, In volle vrede stormt de plunderaar op hem af.
21Egli ha negli orecchi un romor di spaventi; In tempo di pace il guastatore gli sopraggiunge.
22Hij hoopt niet eens, aan de duisternis te ontsnappen, En is bestemd voor het zwaard;
22Egli non si fida punto di potere uscir delle tenebre; Egli sta sempre in guato, aspettando la spada.
23Hij wordt als een aas voor de gieren geworpen, En weet, dat sombere dagen hem wachten.
23Egli va tapinando per cercar dove sia del pane; Egli sa che ha in mano tutto presto il giorno delle tenebre.
24Benauwdheid en angst grijpt hem aan, Als een koning ten aanval gereed:
24Angoscia e tribolazione lo spaventano; Lo sopraffanno come un re apparecchiato alla battaglia.
25Want hij heeft zijn hand tegen God opgeheven, Den Almachtige durven trotseren;
25Perciocchè egli ha distesa la sua mano contro a Dio, E si è rinforzato contro all'Onnipotente;
26Is met trotse nek op Hem afgestormd, Met zijn zwaar beslagen rondas!
26E gli è corso col collo fermo , Co' suoi spessi e rilevati scudi;
27Omdat hij zijn gelaat met vet heeft bedekt, En een vetlaag gelegd op zijn lenden:
27Perciocchè egli ha coperto il suo viso di grasso, Ed ha fatte delle pieghe sopra i suoi fianchi;
28Daarom vestigt hij zich in verwoeste steden, In onbewoonbare huizen, die tot puin zijn vervallen;
28Ed è abitato in città desolate, in case disabitate, Ch'erano preste ad esser ridotte in monti di ruine.
29Hij blijft niet rijk, En zijn vermogen houdt geen stand;
29Egli non arricchirà, e le sue facoltà non saranno stabili, E il suo colmo non si spanderà nella terra.
30Zijn schaduw breidt zich niet uit op de grond, En hij ontsnapt de duisternis niet; Het vuur zal zijn loten verschroeien, De wind zijn bloesem verwaaien!
30Egli non si dipartirà giammai dalle tenebre, La fiamma seccherà i suoi rampolli, Ed egli sarà portato via dal soffio della bocca di Dio.
31Laat hem niet op zijn gestalte vertrouwen, Hij komt bedrogen uit, ze is enkel schijn.
31Non confidisi già nella vanità, dalla quale è sedotto; Perciocchè egli muterà stato, e sarà ridotto al niente.
32Zijn ranken verdorren vóór de tijd, En zijn twijgen groenen niet meer;
32Questo mutamento si compierà fuor del suo tempo, E i suoi rami non verdeggeranno.
33Hij is als de wijnstok, die zijn druiven laat vallen, En als de olijf, die zijn bloesem verliest!
33Il suo agresto sarà rapito come quel d'una vigna, E le sue gemme saranno sbattute come quelle di un ulivo.
34Ja, de bent der goddelozen is onvruchtbaar, En het vuur verteert de tenten der omkoperij;
34Perciocchè la raunanza de' profani sarà deserta, E il fuoco divorerà i tabernacoli di quelli che prendon presenti;
35Ze gaan zwanger van ellende, en baren onheil, Hun schoot draagt ontgoocheling!
35I quali concepiscono perversità, e partoriscono iniquità, E il cui ventre macchina fraude.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.