Job
Chapter 17
Petrus Canisius Bible, 1…
vs Diodati Bibbia 1885
Aa
Text size
Line width
Verse numbers
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Diodati Bibbia 1885
1Mijn geest gebroken, mijn dagen geblust, Mij rest slechts het graf!
1Il mio spirito si dissolve, I miei giorni sono spenti, I sepolcri mi aspettano .
2Ben ik niet het mikpunt van spot, Verkwijnt niet mijn oog door de bittere verwijten?
2Non ho io appresso di me degli schernitori? E l'occhio mio non dev'egli sopportare le loro provocazioni?
3Stel Uzelf bij U tot borg voor mijl; Wie anders zou voor mij handslag geven?
3Deh! metti pegno , dammi sicurtà per piatir teco; Chi sarà colui che mi toccherà nella mano?
4Want hùn hart hebt Gij voor inzicht gesloten, En daarom steken zij de hand niet uit;
4Perciocchè, quant'è a costoro , tu hai nascosto il senno al cuor loro, E però tu non li innalzerai.
5Men beklaagt het lot van zijn vrienden Terwijl de ogen versmachten van de eigen kinderen;
5Di chi parla fra gli amici per lusinga Anche gli occhi de' figliuoli saranno consumati.
6Men heeft mij tot spreekwoord gemaakt bij de mensen, Ik ben een, wien men in het aangezicht spuwt!
6Egli mi ha posto per servir di proverbio a' popoli, Ed io sono pubblicamente menato attorno in sul tamburo.
7Mijn oog is dof van verdriet, Mijn leden zijn tot een schaduw vervluchtigd!
7E l'occhio mio è tutto raggrinzato di sdegno, E tutte le mie membra son simili ad un'ombra.
8De braven ontstellen ervan, De onschuldige is jaloers op den boze:
8Gli uomini diritti stupiranno di questo, E l'innocente se ne commoverà per cagion dell'ipocrita.
9Moet de rechtvaardige toch zijn weg maar bewandelen, Wie rein van handen is, zijn kracht nog verdubbelen?
9Ma pure il giusto si atterrà alla sua via, E colui ch'è puro di mani vie più si raffermerà.
10En daarom, hoe gij u allen wendt of keert, Een wijze vind ik onder u niet;
10Or ravvedetevi pure voi tutti, e poi venite; Non troverò io alcun savio fra voi?
11Mijn levensdagen zijn voorbij, Mijn plannen, mijn hartewensen vernield!
11I miei giorni son passati via; I miei disegni, i proponimenti del mio cuore son rotti.
12Men maakt een dag van de nacht, Van duisternis het morgenlicht!
12La notte mi è cangiata in giorno, La luce è di presso seguita dalle tenebre.
13Kan ik nog hopen? Het dodenrijk is mijn huis, In de duisternis heb ik mijn leger gespreid;
13Se io mi trattengo di speranza, il sepolcro sarà la mia casa, Io farò il mio letto nelle tenebre.
14Tot het graf geroepen: Gij zijt mijn vader, Tot de wormen: Gij zijt mijn moeder en zusters!
14Già ho gridato alla fossa: Tu sei mio padre; Ed a' vermini: Voi siete la madre, e la sorella mia.
15Waar is mijn hoop, Mijn geluk, wie kan het ontdekken:
15Ed ove è ora la mia speranza? Sì, la mia speranza? chi la potrà vedere?
16Zullen ze met mij in het dodenrijk dalen, Zinken wij samen neer in het stof?
16Le mie speranze scenderanno nel fondo del sepolcro; Conciossiachè il riposo di tutti ugualmente sia nella polvere.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.