Job 28
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Diodati Bibbia 1885
1Zeker, er is een plaats, waaruit het zilver komt, Een oord, waar het goud wordt gewassen,
1Certo l'argento ha la sua miniera, E l'oro un luogo dove è fuso.
2Het ijzer uit de bodem gehaald, De steen tot koper gesmolten;
2Il ferro si trae dalla polvere, E la pietra liquefatta rende del rame.
3Waar men in de uiterste duisternis doordringt, En de diepste plekken doorvorst. In de rotsen, duister en somber.
3L'uomo ha posto un termine alle tenebre, E investiga ogni cosa infino al fine; Le pietre che son nell'oscurità e nell'ombra della morte;
4Worden schachten gehakt door een volk, dat er niet hoort, Dat door de wandelaars wordt vergeten, Daar ver van de mensen hangt en zweeft;
4Ove i torrenti che il piè avea dimenticati scoppiano fuori, E impediscono che niuno vi stia appresso; Poi scemano, e se ne vanno per opera de gli uomini.
5En de aarde, waaruit het brood ontspruit, Wordt in haar ingewanden omgewoeld als door vuur.
5La terra, che produce il pane, Disotto è rivolta sottosopra, e pare tutta fuoco.
6Haar rotsen zijn de plaats van saffier, Haar stof bevat goud;
6Le pietre di essa sono il luogo degli zaffiri, E vi è della polvere d'oro.
7De arend kent er de weg niet heen, Het valkenoog bespeurt hem niet;
7Niuno uccello rapace ne sa il sentiero, E l'occhio dell'avvoltoio non riguardò mai là.
8De roofdieren betreden hem niet, De luipaard gaat er niet heen.
8I leoncini della leonessa non calcarono giammai que' luoghi , Il leone non vi passò giammai.
9De mens slaat zijn hand aan de harde steen, Woelt de bergen om van hun grondslag af,
9L'uomo mette la mano a' macigni; Egli rivolta sottosopra i monti fin dalla radice.
10Breekt gangen in de rotsen uit, Niets kostbaars ontsnapt aan zijn oog;
10Egli fa de' condotti a' rivi per mezzo le rupi; E l'occhio suo vede ogni cosa preziosa.
11Hij zoekt de bronnen der stromen af, En brengt wat verborgen lag aan het licht.
11Egli tura i fiumi che non gocciolino, E trae fuori in luce le cose nascoste.
12Maar de wijsheid, waar is zij te vinden, En waar is het oord van het inzicht?
12Ma la sapienza, onde si trarrà ella? E dov'è il luogo dell'intelligenza?
13De mens kent er de weg niet heen, In het land der levenden bevindt ze zich niet.
13L'uomo non conosce il prezzo di essa; Ella non si trova nella terra de' viventi.
14De afgrond roept: In mij is ze niet! De zee herhaalt: Ze is niet bij mij!
14L'abisso dice: Ella non è in me; E il mare dice: Ella non è appresso di me.
15Zij wordt niet gekocht voor het fijnste goud, Geen zilver gewogen, om haar te betalen;
15Ei non si può dare oro per essa, Nè può pesarsi argento per lo prezzo suo.
16Zij wordt niet geschat tegen goud van Ofir, Tegen kostbare onyx, noch saffier;
16Ella non può essere apprezzata ad oro di Ofir, Nè ad onice prezioso, nè a zaffiro.
17Geen goud, geen glaswerk kan haar evenaren, Geen gouden vaas is haar prijs.
17Nè l'oro, nè il diamante, non posson pareggiarla di prezzo; Ed alcun vasellamento d'oro fino non può darsi in iscambio di essa.
18Paarlen en kristal zijn naast haar niet in tel, Het vinden der wijsheid gaat dat van koralen te boven;
18Appo lei non si fa menzione di coralli, nè di perle; La valuta della sapienza è maggiore che quella delle gemme.
19Topaas van Koesj kan het niet bij haar halen, Het zuiverst goud weegt niet tegen haar op.
19Il topazio di Etiopia non la può pareggiar di prezzo; Ella non può essere apprezzata ad oro puro.
20De wijsheid, waar komt zij vandaan; Het inzicht, waar is zijn plaats?
20Onde viene adunque la sapienza? E dove è il luogo dell'intelligenza?
21Zij ligt verborgen voor het oog van al wat leeft, Verscholen voor de vogels in de lucht;
21Conciossiachè ella sia nascosta agli occhi d'ogni vivente, Ed occulta agli uccelli del cielo.
22De onderwereld en dood roepen uit: Onze oren hebben enkel van haar bij geruchte gehoord.
22Il luogo del la perdizione e la morte dicono: Noi abbiamo con gli orecchi solo udita la fama di essa .
23Het is God, die de weg naar haar kent, Hij alleen weet, waar zij toeft.
23Iddio solo intende la via di essa, E conosce il suo luogo.
24Want Hij blikte tot aan de grenzen der aarde, Zag al wat onder de hemel bestond:
24Perciocchè egli riguarda fino all'estremità della terra, Egli vede sotto tutti i cieli.
25Toen Hij het gewicht van de wind bepaalde, De maat voor het water bestemde;
25Quando egli dava il peso al vento, E pesava le acque a certa misura;
26Toen Hij de regen zijn wet gaf, En de donder zijn weg.
26Quando egli poneva il suo ordine alla pioggia, E la via a' lampi de' tuoni;
27Toen aanschouwde Hij haar en verkondigde haar, Kende Hij haar en doorgrondde haar;
27Allora egli la vedeva, e la contava; Egli l'ordinava, ed anche l'investigava.
28Maar Hij sprak tot den mens: Zie, de vreze des Heren is wijsheid, En het kwade te mijden is inzicht!
28Ma egli ha detto all'uomo: Ecco, il timor del Signore è la sapienza; E il ritrarsi dal male è l'intelligenza.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.