Job 28
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Kralice Bible (1613)
1Zeker, er is een plaats, waaruit het zilver komt, Een oord, waar het goud wordt gewassen,
1Máť zajisté stříbro prameny své, a zlato místo k přehánění.
2Het ijzer uit de bodem gehaald, De steen tot koper gesmolten;
2Železo z země vzato bývá, a kámen rozpuštěný dává měď.
3Waar men in de uiterste duisternis doordringt, En de diepste plekken doorvorst. In de rotsen, duister en somber.
3Cíl ukládá temnostem, a všelikou dokonalost člověk vystihá, kámen mrákoty a stínu smrti.
4Worden schachten gehakt door een volk, dat er niet hoort, Dat door de wandelaars wordt vergeten, Daar ver van de mensen hangt en zweeft;
4Protrhuje se řeka na obyvatele, tak že ji nemůže žádný přebřesti, a svozována bývá uměním smrtelného člověka, i odchází.
5En de aarde, waaruit het brood ontspruit, Wordt in haar ingewanden omgewoeld als door vuur.
5Z země vychází chléb, ačkoli pod ní jest něco rozdílného, podobného k ohni.
6Haar rotsen zijn de plaats van saffier, Haar stof bevat goud;
6V některé zemi jest kamení zafirové a prach zlatý,
7De arend kent er de weg niet heen, Het valkenoog bespeurt hem niet;
7K čemuž stezky nezná žádný pták, aniž ji spatřilo oko luňáka,
8De roofdieren betreden hem niet, De luipaard gaat er niet heen.
8Kteréž nešlapala mladá zvěř, aniž šel po ní lev.
9De mens slaat zijn hand aan de harde steen, Woelt de bergen om van hun grondslag af,
9K škřemeni vztahuje ruku svou, a z kořene převrací hory.
10Breekt gangen in de rotsen uit, Niets kostbaars ontsnapt aan zijn oog;
10Z skálí vyvodí potůčky, a všecko, což jest drahého, spatřuje oko jeho.
11Hij zoekt de bronnen der stromen af, En brengt wat verborgen lag aan het licht.
11Vylévati se řekám zbraňuje, a tak cožkoli skrytého jest, na světlo vynáší.
12Maar de wijsheid, waar is zij te vinden, En waar is het oord van het inzicht?
12Ale moudrost kde nalezena bývá? A kde jest místo rozumnosti?
13De mens kent er de weg niet heen, In het land der levenden bevindt ze zich niet.
13Neví smrtelný člověk ceny její, aniž bývá nalezena v zemi živých.
14De afgrond roept: In mij is ze niet! De zee herhaalt: Ze is niet bij mij!
14Propast praví: Není ve mně, moře také dí: Není u mne.
15Zij wordt niet gekocht voor het fijnste goud, Geen zilver gewogen, om haar te betalen;
15Nedává se zlata čistého za ni, aniž odváženo bývá stříbro za směnu její.
16Zij wordt niet geschat tegen goud van Ofir, Tegen kostbare onyx, noch saffier;
16Nemůže býti ceněna za zlato z Ofir, ani za onychin drahý a zafir.
17Geen goud, geen glaswerk kan haar evenaren, Geen gouden vaas is haar prijs.
17Nevrovná se jí zlato ani drahý kámen, aniž směněna býti může za nádobu z ryzího zlata.
18Paarlen en kristal zijn naast haar niet in tel, Het vinden der wijsheid gaat dat van koralen te boven;
18Korálů pak a perel se nepřipomíná; nebo nabytí moudrosti dražší jest nad klénoty.
19Topaas van Koesj kan het niet bij haar halen, Het zuiverst goud weegt niet tegen haar op.
19Není jí rovný v ceně smaragd z Mouřenínské země, aniž za čisté zlato může ceněna býti.
20De wijsheid, waar komt zij vandaan; Het inzicht, waar is zijn plaats?
20Odkudž tedy moudrost přichází? A kde jest místo rozumnosti?
21Zij ligt verborgen voor het oog van al wat leeft, Verscholen voor de vogels in de lucht;
21Poněvadž skryta jest před očima všelikého živého, i před nebeským ptactvem ukryta jest.
22De onderwereld en dood roepen uit: Onze oren hebben enkel van haar bij geruchte gehoord.
22Zahynutí i smrt praví: Ušima svýma slyšely jsme pověst o ní.
23Het is God, die de weg naar haar kent, Hij alleen weet, waar zij toeft.
23Sám Bůh rozumí cestě její, a on ví místo její.
24Want Hij blikte tot aan de grenzen der aarde, Zag al wat onder de hemel bestond:
24Nebo on končiny země spatřuje, a všecko, což jest pod nebem, vidí,
25Toen Hij het gewicht van de wind bepaalde, De maat voor het water bestemde;
25Tak že větru váhu dává, a vody v míru odvažuje.
26Toen Hij de regen zijn wet gaf, En de donder zijn weg.
26On též vyměřuje dešti právo, i cestu blýskání hromů.
27Toen aanschouwde Hij haar en verkondigde haar, Kende Hij haar en doorgrondde haar;
27Hned tehdáž viděl ji, a rozhlásil ji, připravil ji, a vystihl ji.
28Maar Hij sprak tot den mens: Zie, de vreze des Heren is wijsheid, En het kwade te mijden is inzicht!
28Èlověku pak řekl: Aj, bázeň Páně jest moudrost, a odstoupiti od zlého rozumnost.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.