Job 28
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Modern Hebrew Bible
1Zeker, er is een plaats, waaruit het zilver komt, Een oord, waar het goud wordt gewassen,
1כי יש לכסף מוצא ומקום לזהב יזקו׃
2Het ijzer uit de bodem gehaald, De steen tot koper gesmolten;
2ברזל מעפר יקח ואבן יצוק נחושה׃
3Waar men in de uiterste duisternis doordringt, En de diepste plekken doorvorst. In de rotsen, duister en somber.
3קץ שם לחשך ולכל תכלית הוא חוקר אבן אפל וצלמות׃
4Worden schachten gehakt door een volk, dat er niet hoort, Dat door de wandelaars wordt vergeten, Daar ver van de mensen hangt en zweeft;
4פרץ נחל מעם גר הנשכחים מני רגל דלו מאנוש נעו׃
5En de aarde, waaruit het brood ontspruit, Wordt in haar ingewanden omgewoeld als door vuur.
5ארץ ממנה יצא לחם ותחתיה נהפך כמו אש׃
6Haar rotsen zijn de plaats van saffier, Haar stof bevat goud;
6מקום ספיר אבניה ועפרת זהב לו׃
7De arend kent er de weg niet heen, Het valkenoog bespeurt hem niet;
7נתיב לא ידעו עיט ולא שזפתו עין איה׃
8De roofdieren betreden hem niet, De luipaard gaat er niet heen.
8לא הדריכהו בני שחץ לא עדה עליו שחל׃
9De mens slaat zijn hand aan de harde steen, Woelt de bergen om van hun grondslag af,
9בחלמיש שלח ידו הפך משרש הרים׃
10Breekt gangen in de rotsen uit, Niets kostbaars ontsnapt aan zijn oog;
10בצורות יארים בקע וכל יקר ראתה עינו׃
11Hij zoekt de bronnen der stromen af, En brengt wat verborgen lag aan het licht.
11מבכי נהרות חבש ותעלמה יצא אור׃
12Maar de wijsheid, waar is zij te vinden, En waar is het oord van het inzicht?
12והחכמה מאין תמצא ואי זה מקום בינה׃
13De mens kent er de weg niet heen, In het land der levenden bevindt ze zich niet.
13לא ידע אנוש ערכה ולא תמצא בארץ החיים׃
14De afgrond roept: In mij is ze niet! De zee herhaalt: Ze is niet bij mij!
14תהום אמר לא בי היא וים אמר אין עמדי׃
15Zij wordt niet gekocht voor het fijnste goud, Geen zilver gewogen, om haar te betalen;
15לא יתן סגור תחתיה ולא ישקל כסף מחירה׃
16Zij wordt niet geschat tegen goud van Ofir, Tegen kostbare onyx, noch saffier;
16לא תסלה בכתם אופיר בשהם יקר וספיר׃
17Geen goud, geen glaswerk kan haar evenaren, Geen gouden vaas is haar prijs.
17לא יערכנה זהב וזכוכית ותמורתה כלי פז׃
18Paarlen en kristal zijn naast haar niet in tel, Het vinden der wijsheid gaat dat van koralen te boven;
18ראמות וגביש לא יזכר ומשך חכמה מפנינים׃
19Topaas van Koesj kan het niet bij haar halen, Het zuiverst goud weegt niet tegen haar op.
19לא יערכנה פטדת כוש בכתם טהור לא תסלה׃
20De wijsheid, waar komt zij vandaan; Het inzicht, waar is zijn plaats?
20והחכמה מאין תבוא ואי זה מקום בינה׃
21Zij ligt verborgen voor het oog van al wat leeft, Verscholen voor de vogels in de lucht;
21ונעלמה מעיני כל חי ומעוף השמים נסתרה׃
22De onderwereld en dood roepen uit: Onze oren hebben enkel van haar bij geruchte gehoord.
22אבדון ומות אמרו באזנינו שמענו שמעה׃
23Het is God, die de weg naar haar kent, Hij alleen weet, waar zij toeft.
23אלהים הבין דרכה והוא ידע את מקומה׃
24Want Hij blikte tot aan de grenzen der aarde, Zag al wat onder de hemel bestond:
24כי הוא לקצות הארץ יביט תחת כל השמים יראה׃
25Toen Hij het gewicht van de wind bepaalde, De maat voor het water bestemde;
25לעשות לרוח משקל ומים תכן במדה׃
26Toen Hij de regen zijn wet gaf, En de donder zijn weg.
26בעשתו למטר חק ודרך לחזיז קלות׃
27Toen aanschouwde Hij haar en verkondigde haar, Kende Hij haar en doorgrondde haar;
27אז ראה ויספרה הכינה וגם חקרה׃
28Maar Hij sprak tot den mens: Zie, de vreze des Heren is wijsheid, En het kwade te mijden is inzicht!
28ויאמר לאדם הן יראת אדני היא חכמה וסור מרע בינה׃
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.