Job 11
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Modern Hebrew Bible
1Daarop nam Sofar van Naäma het woord, en sprak:
1ויען צפר הנעמתי ויאמר׃
2Zo’n praatvaar zou onbeantwoord blijven, Zo’n held met de lippen in het gelijk gesteld;
2הרב דברים לא יענה ואם איש שפתים יצדק׃
3Uw zwetsen zou anderen tot zwijgen brengen, Uw onzinnig gebrabbel door niemand worden beschaamd?
3בדיך מתים יחרישו ותלעג ואין מכלם׃
4Gij zegt tot God: Mijn wandel is rein, Ik ben onberispelijk in uw oog!
4ותאמר זך לקחי ובר הייתי בעיניך׃
5Wilde God maar eens spreken, Zijn lippen tegen u openen,
5ואולם מי יתן אלוה דבר ויפתח שפתיו עמך׃
6U de geheimen der Wijsheid ontvouwen, Die zo moeilijk zijn te verstaan: Dan zoudt ge erkennen, dat God van u eist, Wat uw misdaad verdient.
6ויגד לך תעלמות חכמה כי כפלים לתושיה ודע כי ישה לך אלוה מעונך׃
7Zoudt ge de diepten Gods kunnen peilen, De alwetendheid van den Almachtige doorgronden?
7החקר אלוה תמצא אם עד תכלית שדי תמצא׃
8Zij is hoger nog dan de hemelen: Wat kunt ge beginnen; Dieper nog dan de onderwereld: Wat kunt ge begrijpen;
8גבהי שמים מה תפעל עמקה משאול מה תדע׃
9Haar meetsnoer is langer dan de aarde, En breder nog dan de zee!
9ארכה מארץ מדה ורחבה מני ים׃
10Als hij iets laat passeren, het verborgen houdt, Of het ruchtbaar maakt: wie zal Hem weerhouden?
10אם יחלף ויסגיר ויקהיל ומי ישיבנו׃
11Want Hij doorschouwt de bedriegelijke mensen; Hij kent het kwaad, het ontgaat Hem niet!
11כי הוא ידע מתי שוא וירא און ולא יתבונן׃
12Maar een leeghoofd zal dit eerst begrijpen, Als het jong van een ezel een mensenkind wordt!
12ואיש נבוב ילבב ועיר פרא אדם יולד׃
13Maar wanneer gij er acht op wilt slaan, En tot Hem uw handen verheft,
13אם אתה הכינות לבך ופרשת אליו כפך׃
14De misdaad uit uw hand verwijdert, En in uw tenten geen onrecht laat wonen:
14אם און בידך הרחיקהו ואל תשכן באהליך עולה׃
15Dan heft ge smetteloos het hoofd omhoog, Dan staat ge vast, en behoeft niet te vrezen.
15כי אז תשא פניך ממום והיית מצק ולא תירא׃
16Ja, dan zult ge de ellende vergeten, Er aan denken als aan water, dat voorbij is gestroomd;
16כי אתה עמל תשכח כמים עברו תזכר׃
17Dan rijst uw leven klaarder nog dan de middag, En uw duisternis zal als de morgen zijn;
17ומצהרים יקום חלד תעפה כבקר תהיה׃
18Dan zult ge vertrouwen, Want er is weer hoop! Dan gaat ge weer slapen onder veilige hoede,
18ובטחת כי יש תקוה וחפרת לבטח תשכב׃
19Dan legt ge u neer, en schrikt niemand u op; Dan dingen velen naar uw gunst,
19ורבצת ואין מחריד וחלו פניך רבים׃
20Terwijl de ogen der bozen versmachten: Want die blijven van iedere toevlucht verstoken, Hun enige hoop is hun laatste zucht!
20ועיני רשעים תכלינה ומנוס אבד מנהם ותקותם מפח נפש׃
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.