Job 11
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Lutherbibel 1912
1Daarop nam Sofar van Naäma het woord, en sprak:
1Da antwortete Zophar von Naema und sprach:
2Zo’n praatvaar zou onbeantwoord blijven, Zo’n held met de lippen in het gelijk gesteld;
2Wenn einer lang geredet, muß er nicht auch hören? Muß denn ein Schwätzer immer recht haben?
3Uw zwetsen zou anderen tot zwijgen brengen, Uw onzinnig gebrabbel door niemand worden beschaamd?
3Müssen die Leute zu deinem eitlen Geschwätz schweigen, daß du spottest und niemand dich beschäme?
4Gij zegt tot God: Mijn wandel is rein, Ik ben onberispelijk in uw oog!
4Du sprichst: Meine Rede ist rein, und lauter bin ich vor deinen Augen.
5Wilde God maar eens spreken, Zijn lippen tegen u openen,
5Ach, daß Gott mit dir redete und täte seine Lippen auf
6U de geheimen der Wijsheid ontvouwen, Die zo moeilijk zijn te verstaan: Dan zoudt ge erkennen, dat God van u eist, Wat uw misdaad verdient.
6und zeigte dir die heimliche Weisheit! Denn er hätte noch wohl mehr an dir zu tun, auf daß du wissest, daß er deiner Sünden nicht aller gedenkt.
7Zoudt ge de diepten Gods kunnen peilen, De alwetendheid van den Almachtige doorgronden?
7Meinst du, daß du wissest, was Gott weiß, und wollest es so vollkommen treffen wie der Allmächtige?
8Zij is hoger nog dan de hemelen: Wat kunt ge beginnen; Dieper nog dan de onderwereld: Wat kunt ge begrijpen;
8Es ist höher denn der Himmel; was willst du tun? tiefer denn die Hölle; was kannst du wissen?
9Haar meetsnoer is langer dan de aarde, En breder nog dan de zee!
9länger denn die Erde und breiter denn das Meer.
10Als hij iets laat passeren, het verborgen houdt, Of het ruchtbaar maakt: wie zal Hem weerhouden?
10So er daherfährt und gefangen legt und Gericht hält, wer will's ihm wehren?
11Want Hij doorschouwt de bedriegelijke mensen; Hij kent het kwaad, het ontgaat Hem niet!
11Denn er kennt die losen Leute, er sieht die Untugend, und sollte es nicht merken?
12Maar een leeghoofd zal dit eerst begrijpen, Als het jong van een ezel een mensenkind wordt!
12Ein unnützer Mann bläht sich, und ein geborener Mensch will sein wie ein junges Wild.
13Maar wanneer gij er acht op wilt slaan, En tot Hem uw handen verheft,
13Wenn du dein Herz richtetest und deine Hände zu ihm ausbreitetest;
14De misdaad uit uw hand verwijdert, En in uw tenten geen onrecht laat wonen:
14wenn du die Untugend, die in deiner Hand ist, fern von dir tätest, daß in deiner Hütte kein Unrecht bliebe:
15Dan heft ge smetteloos het hoofd omhoog, Dan staat ge vast, en behoeft niet te vrezen.
15so möchtest du dein Antlitz aufheben ohne Tadel und würdest fest sein und dich nicht fürchten.
16Ja, dan zult ge de ellende vergeten, Er aan denken als aan water, dat voorbij is gestroomd;
16Dann würdest du der Mühsal vergessen und so wenig gedenken als des Wassers, das vorübergeht;
17Dan rijst uw leven klaarder nog dan de middag, En uw duisternis zal als de morgen zijn;
17und die Zeit deines Lebens würde aufgehen wie der Mittag, und das Finstere würde ein lichter Morgen werden;
18Dan zult ge vertrouwen, Want er is weer hoop! Dan gaat ge weer slapen onder veilige hoede,
18und dürftest dich dessen trösten, daß Hoffnung da sei; würdest dich umsehen und in Sicherheit schlafen legen;
19Dan legt ge u neer, en schrikt niemand u op; Dan dingen velen naar uw gunst,
19würdest ruhen, und niemand würde dich aufschrecken; und viele würden vor dir flehen.
20Terwijl de ogen der bozen versmachten: Want die blijven van iedere toevlucht verstoken, Hun enige hoop is hun laatste zucht!
20Aber die Augen der Gottlosen werden verschmachten, und sie werden nicht entrinnen können; denn Hoffnung wird ihrer Seele fehlen.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.