Job 13
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Lutherbibel 1912
1Zie, dit alles heb ik met eigen ogen aanschouwd, Mijn oor heeft het gehoord en verstaan.
1Siehe, das alles hat mein Auge gesehen und mein Ohr gehört, und ich habe es verstanden.
2Wat gij weet, weet ik even goed: Ik doe niet onder voor u.
2Was ihr wißt, das weiß ich auch; und bin nicht geringer denn ihr.
3Daarom wil ik tot den Almachtige spreken, Mijn zaak bepleiten voor God!
3Doch wollte ich gern zu dem Allmächtigen reden und wollte gern mit Gott rechten.
4Want gij zijt leugensmeden, En kwakzalvers allemaal!
4Aber ihr deutet's fälschlich und seid alle unnütze Ärzte.
5Als gij er nu maar het zwijgen toe deedt, Rekende men het u als wijsheid aan.
5Wollte Gott, ihr schwieget, so wäret ihr weise.
6Luistert dus liever naar mijn pleit, En geeft acht op het pleidooi mijner lippen.
6Höret doch meine Verantwortung und merket auf die Sache, davon ich rede!
7Moogt gij leugens spreken, om God te believen, Ter wille van Hem onwaarheid zeggen;
7Wollt ihr Gott verteidigen mit Unrecht und für ihn List brauchen?
8Moogt gij partijdig voor Hem zijn, Wanneer gij voor God denkt te pleiten?
8Wollt ihr seine Person ansehen? Wollt ihr Gott vertreten?
9Loopt dit goed voor u af, wanneer Hij u in verhoor neemt; Of denkt gij Hem te bedriegen, zoals men mensen bedriegt?
9Wird's euch auch wohl gehen, wenn er euch richten wird? Meint ihr, daß ihr ihn täuschen werdet, wie man einen Menschen täuscht?
10Ten zwaarste zal Hij u straffen, Zo gij partijdig zijt in het geniep.
10Er wird euch strafen, wo ihr heimlich Person ansehet.
11Zal zijn Majesteit u dan niet ontstellen, Zijn verschrikkingen u niet overvallen?
11Wird er euch nicht erschrecken, wenn er sich wird hervortun, und wird seine Furcht nicht über euch fallen?
12Want uw uitspraken zijn spreuken van as, Uw betogen, betogen van leem!
12Eure Denksprüche sind Aschensprüche; eure Bollwerke werden wie Lehmhaufen sein.
13Zwijgt derhalve, en laat mij spreken; Laat er van komen wat wil!
13Schweiget mir, daß ich rede, es komme über mich, was da will.
14Ik pak mijn vlees tussen mijn tanden, En neem mijn leven in mijn hand.
14Was soll ich mein Fleisch mit meinen Zähnen davontragen und meine Seele in meine Hände legen?
15Wil Hij me doden, ik wacht Hem af; Maar ik verdedig mijn wandel voor Hem!
15Siehe, er wird mich doch erwürgen, und ich habe nichts zu hoffen; doch will ich meine Wege vor ihm verantworten.
16Dit zal reeds een triomf voor mij zijn; Want de boze durft niet eens voor zijn aanschijn treden!
16Er wird ja mein Heil sein; denn es kommt kein Heuchler vor ihn.
17Luistert dus goed naar mijn woord, Leent het oor aan mijn rede.
17Höret meine Rede, und meine Auslegung gehe ein zu euren Ohren.
18Zie, ik heb mijn pleit gereed, Ik ben mij bewust van mijn recht!
18Siehe, ich bin zum Rechtsstreit gerüstet; ich weiß, daß ich recht behalten werde.
19Wie brengt er iets tegen mij in? Ik zou aanstonds zwijgen en sterven.
19Wer ist, der mit mir rechten könnte? Denn dann wollte ich schweigen und verscheiden.
20Twee dingen moet Gij mij echter besparen, Dan verschuil ik mij niet voor uw aanschijn:
20Zweierlei tue mir nur nicht, so will ich mich vor dir nicht verbergen:
21Neem uw hand van mij weg, En verbijster mij niet door uw verschrikking.
21laß deine Hand fern von mir sein, und dein Schrecken erschrecke mich nicht!
22Daag mij dus uit, en ik zal antwoorden; Of laat mij spreken, en antwoord Gij:
22Dann rufe, ich will antworten, oder ich will reden, antworte du mir!
23Hoeveel fouten en zonden heb ik bedreven, Noem mij mijn misdaden en zonden op!
23Wie viel ist meiner Missetaten und Sünden? Laß mich wissen meine Übertretung und Sünde.
24Waarom verbergt Gij uw aanschijn, En beschouwt Gij mij als uw vijand?
24Warum verbirgst du dein Antlitz und hältst mich für deinen Feind?
25Wilt gij een weggewaaid blad nog verschrikken, Een verdorde halm nog vervolgen:
25Willst du wider ein fliegend Blatt so ernst sein und einen dürren Halm verfolgen?
26Dat Gij zo’n bitter lot mij bestemt, En de fouten wreekt van mijn jeugd;
26Denn du schreibst mir Betrübnis an und willst über mich bringen die Sünden meiner Jugend.
27Mijn voeten steekt in een blok, al mijn gangen bewaakt, En mijn voetzolen bespiedt?
27Du hast meinen Fuß in den Stock gelegt und hast acht auf alle meine Pfade und siehst auf die Fußtapfen meiner Füße,
28-
28der ich doch wie Moder vergehe und wie ein Kleid, das die Motten fressen.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.