Job 13
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Douay-Rheims Bible, American Edition (1899)
1Zie, dit alles heb ik met eigen ogen aanschouwd, Mijn oor heeft het gehoord en verstaan.
1Behold my eye hath seen all these things, and my ear hath heard them, and I have understood them all.
2Wat gij weet, weet ik even goed: Ik doe niet onder voor u.
2According to your knowledge I also know: neither am I inferior to you.
3Daarom wil ik tot den Almachtige spreken, Mijn zaak bepleiten voor God!
3But yet I will speak to the Almighty, and I desire to reason with God.
4Want gij zijt leugensmeden, En kwakzalvers allemaal!
4Having first shewn that you are forgers of lies, and maintainers of perverse opinions.
5Als gij er nu maar het zwijgen toe deedt, Rekende men het u als wijsheid aan.
5And I wish you would hold your peace, that you might be thought to be wise men.
6Luistert dus liever naar mijn pleit, En geeft acht op het pleidooi mijner lippen.
6Hear ye therefore my reproof, and attend to the judgment of my lips.
7Moogt gij leugens spreken, om God te believen, Ter wille van Hem onwaarheid zeggen;
7Hath God any need of your lie, that you should speak deceitfully for him?
8Moogt gij partijdig voor Hem zijn, Wanneer gij voor God denkt te pleiten?
8Do you accept his person, and do you endeavour to judge for God?
9Loopt dit goed voor u af, wanneer Hij u in verhoor neemt; Of denkt gij Hem te bedriegen, zoals men mensen bedriegt?
9Or shall it please him, from whom nothing can be concealed? or shall he be deceived as a man, with your deceitful dealings?
10Ten zwaarste zal Hij u straffen, Zo gij partijdig zijt in het geniep.
10He shall reprove you, because in secret you accept his person.
11Zal zijn Majesteit u dan niet ontstellen, Zijn verschrikkingen u niet overvallen?
11As soon as he shall move himself, he shall trouble you: and his dread shall fall upon you.
12Want uw uitspraken zijn spreuken van as, Uw betogen, betogen van leem!
12Your remembrance shall be compared to ashes, and your necks shall be brought to clay.
13Zwijgt derhalve, en laat mij spreken; Laat er van komen wat wil!
13Hold your peace a little while, that I may speak whatsoever my mind shall suggest to me.
14Ik pak mijn vlees tussen mijn tanden, En neem mijn leven in mijn hand.
14Why do I tear my flesh with my teeth, and carry my soul in my hands?
15Wil Hij me doden, ik wacht Hem af; Maar ik verdedig mijn wandel voor Hem!
15Although he should bill me, I will trust in him: but yet I will reprove my ways in his sight.
16Dit zal reeds een triomf voor mij zijn; Want de boze durft niet eens voor zijn aanschijn treden!
16And he shall be my saviour: for no hypocrite shall come before his presence.
17Luistert dus goed naar mijn woord, Leent het oor aan mijn rede.
17Hear ye my speech, and receive with Sour ears hidden truths.
18Zie, ik heb mijn pleit gereed, Ik ben mij bewust van mijn recht!
18If I shall be judged, I know that I shall be found just.
19Wie brengt er iets tegen mij in? Ik zou aanstonds zwijgen en sterven.
19Who is he that will plead against me? let him come: why am I consumed holding my peace?
20Twee dingen moet Gij mij echter besparen, Dan verschuil ik mij niet voor uw aanschijn:
20Two things only do not to me, and then from thy face I shall not be hid:
21Neem uw hand van mij weg, En verbijster mij niet door uw verschrikking.
21Withdraw thy hand far from me, and let not thy dread terrify me.
22Daag mij dus uit, en ik zal antwoorden; Of laat mij spreken, en antwoord Gij:
22Call me, and I will answer thee: or else I will speak, and do thou answer me.
23Hoeveel fouten en zonden heb ik bedreven, Noem mij mijn misdaden en zonden op!
23How many are my iniquities and sins? make me know my crimes and offences.
24Waarom verbergt Gij uw aanschijn, En beschouwt Gij mij als uw vijand?
24Why hidest thou thy face, and thinkest me thy enemy?
25Wilt gij een weggewaaid blad nog verschrikken, Een verdorde halm nog vervolgen:
25Against a leaf, that is carried away with the wind, thou shewest thy power, and thou pursuest a dry straw.
26Dat Gij zo’n bitter lot mij bestemt, En de fouten wreekt van mijn jeugd;
26For thou writest bitter things against me, and wilt consume me for the sins of my youth.
27Mijn voeten steekt in een blok, al mijn gangen bewaakt, En mijn voetzolen bespiedt?
27Thou hast put my feet in the stocks, and hast observed all my paths, and hast considered the steps of my feet:
28-
28Who am to be consumed as rottenness, and as a garment that is moth-eaten.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.