Job 13
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Diodati Bibbia 1885
1Zie, dit alles heb ik met eigen ogen aanschouwd, Mijn oor heeft het gehoord en verstaan.
1Ecco, l'occhio mio ha vedute tutte queste cose , L'orecchio mio le ha udite, e le ha intese.
2Wat gij weet, weet ik even goed: Ik doe niet onder voor u.
2Quanto sapete voi, so anch'io; Io non son da men di voi.
3Daarom wil ik tot den Almachtige spreken, Mijn zaak bepleiten voor God!
3E pure io parlerò all'Onnipotente; Io avrò a grado di venire a ragione con lui.
4Want gij zijt leugensmeden, En kwakzalvers allemaal!
4Ma certo, quant'è a voi, voi siete rappezzatori di menzogna; Voi siete medici da nulla tutti quanti.
5Als gij er nu maar het zwijgen toe deedt, Rekende men het u als wijsheid aan.
5Oh! vi taceste pur del tutto, Ciò vi sarebbe reputato in saviezza!
6Luistert dus liever naar mijn pleit, En geeft acht op het pleidooi mijner lippen.
6Deh! ascoltate la difesa della mia ragione, Ed attendete agli argomenti delle mie labbra.
7Moogt gij leugens spreken, om God te believen, Ter wille van Hem onwaarheid zeggen;
7Convienvisi in favor di Dio parlar perversamente, E per rispetto suo parlar frodolentemente?
8Moogt gij partijdig voor Hem zijn, Wanneer gij voor God denkt te pleiten?
8Convienvisi aver riguardo alla qualità sua? Convienvisi litigar per Iddio?
9Loopt dit goed voor u af, wanneer Hij u in verhoor neemt; Of denkt gij Hem te bedriegen, zoals men mensen bedriegt?
9Sarebbe egli ben per voi ch'egli vi esaminasse? Gabberestelo voi come si gabba un uomo?
10Ten zwaarste zal Hij u straffen, Zo gij partijdig zijt in het geniep.
10Egli del certo vi arguirà, Se di nascosto avete riguardo alla qualità delle persone.
11Zal zijn Majesteit u dan niet ontstellen, Zijn verschrikkingen u niet overvallen?
11La sua altezza non vi sgomenterà ella? Lo spavento di lui non vi caderà egli addosso?
12Want uw uitspraken zijn spreuken van as, Uw betogen, betogen van leem!
12I vostri detti memorandi son simili a cenere; Ed i vostri sublimi ragionamenti a mucchi di fango.
13Zwijgt derhalve, en laat mij spreken; Laat er van komen wat wil!
13Tacetevi, e lasciatemi stare, ed io parlerò; E passimi addosso che che sia.
14Ik pak mijn vlees tussen mijn tanden, En neem mijn leven in mijn hand.
14Perchè mi strappo io la carne co' denti, E perchè tengo l'anima mia nella palma della mia mano?
15Wil Hij me doden, ik wacht Hem af; Maar ik verdedig mijn wandel voor Hem!
15Ecco, uccidami egli pure; sì spererò in lui; Ma tuttavia difenderò le mie vie nel suo cospetto.
16Dit zal reeds een triomf voor mij zijn; Want de boze durft niet eens voor zijn aanschijn treden!
16Ed egli stesso mi sarà in salvazione; Perciocchè l'ipocrita non gli verrà davanti.
17Luistert dus goed naar mijn woord, Leent het oor aan mijn rede.
17Ascoltate attentamente il mio ragionamento; Ed entrivi negli orecchi la mia dichiarazione.
18Zie, ik heb mijn pleit gereed, Ik ben mij bewust van mijn recht!
18Ecco ora, quando io avrò esposta per ordine la mia ragione, Io so che sarò trovato giusto.
19Wie brengt er iets tegen mij in? Ik zou aanstonds zwijgen en sterven.
19Chi è colui che voglia litigar meco? Conciossiachè di presente mi tacerò, e spirerò.
20Twee dingen moet Gij mij echter besparen, Dan verschuil ik mij niet voor uw aanschijn:
20Sol non farmi due cose, Ed allora io non mi nasconderò dal tuo cospetto.
21Neem uw hand van mij weg, En verbijster mij niet door uw verschrikking.
21Allontana la tua mano d'addosso a me, E non mi spaventi il tuo terrore.
22Daag mij dus uit, en ik zal antwoorden; Of laat mij spreken, en antwoord Gij:
22E poi chiama, ed io risponderò; Ovvero, io parlerò, e tu rispondimi.
23Hoeveel fouten en zonden heb ik bedreven, Noem mij mijn misdaden en zonden op!
23Quante iniquità e peccati ho io? Mostrami il mio misfatto, e il mio peccato.
24Waarom verbergt Gij uw aanschijn, En beschouwt Gij mij als uw vijand?
24Perchè nascondi la tua faccia, E mi reputi tuo nemico?
25Wilt gij een weggewaaid blad nog verschrikken, Een verdorde halm nog vervolgen:
25Stritolerai tu una fronda sospinta? O perseguiterai tu della stoppia secca?
26Dat Gij zo’n bitter lot mij bestemt, En de fouten wreekt van mijn jeugd;
26Che tu mi sentenzii a pene amare, E mi faccia eredar l'iniquità della mia fanciullezza!
27Mijn voeten steekt in een blok, al mijn gangen bewaakt, En mijn voetzolen bespiedt?
27E metta i miei piedi ne' ceppi, E spii tutti i miei sentieri, E stampi le tue pedate in su le radici de' miei piedi!
28-
28Onde costui si disfa come del legno intarlato, Come un vestimento roso dalle tignuole.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.