Job 34
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Diodati Bibbia 1885
1Elihoe vervolgde en sprak:
1ED Elihu proseguì a parlare, e disse:
2Gij wijzen, hoort naar mijn rede; Verstandigen, luistert naar mij:
2Voi savi, udite i miei ragionamenti; E voi intendenti, porgetemi l'orecchio.
3Want het oor toetst de woorden, Zoals het gehemelte spijzen keurt.
3Perciocchè l'orecchio esamina i ragionamenti, Come il palato assapora ciò che si deve mangiare.
4We moeten zelf onderzoeken, wat recht is, Onder elkander beslissen wat goed is.
4Proponiamoci la dirittura, Giudichiamo fra noi che cosa sia bene.
5Want Job heeft gezegd: Ik ben rechtschapen, Maar God onthoudt mij mijn recht;
5Conciossiachè Giobbe abbia detto: Io son giusto; Iddio mi ha tolta la mia ragione.
6Ondanks mijn recht moet ik lijden, Mijn wonde is ongeneeslijk, al ben ik niet schuldig!
6Mentirei io intorno alla mia ragione? La saetta, con la quale son ferito, è dolorosissima, Senza che vi sia misfatto in me .
7Is er wel iemand als Job, Die godslastering als water drinkt,
7Quale è l'uomo simile a Giobbe, Che beve lo scherno come acqua?
8Die het gezelschap van boosdoeners opzoekt En met slechte lieden omgang heeft?
8E che cammina in compagnia con gli operatori d'iniquità, E va con gli uomini empi?
9Want hij zegt: Wat baat het den mens, In God zijn behagen te stellen!
9Perciocchè egli ha detto: L'uomo non fa niun profitto Di rendersi grato a Dio.
10Verstandige lieden, hoort dus naar mij: Onmogelijk; God doet geen kwaad, de Almachtige geen onrecht;
10Perciò, uomini di senno, ascoltatemi; Tolga Iddio che vi sia empietà in Dio, O perversità nell'Onnipotente.
11Want Hij vergeldt de mensen hun daden, Behandelt iedereen naar zijn gedrag!
11Perciocchè egli rende all'uomo secondo l'opera sua, E fa trovare a ciascuno secondo la sua via.
12Waarachtig, God kan geen onrecht begaan, De Almachtige het recht niet verkrachten!
12Sì veramente Iddio non opera empiamente, E l'Onnipotente non perverte la ragione.
13Wie heeft de aarde onder zijn leiding gesteld Wie Hem met de hele wereld belast?
13Chi gli ha commesso il governo della terra? E chi gli ha imposta la cura del mondo tutto intiero?
14Trekt Hij hun geest tot Zich terug, Neemt Hij tot Zich hun levensadem,
14Se egli ponesse mente all'uomo, Egli ritrarrebbe a sè il suo alito, ed il suo soffio;
15Dan sterft onmiddellijk alle vlees, Keert de mens terug tot stof!
15Ogni carne insieme trapasserebbe, E l'uomo ritornerebbe nella polvere.
16Zijt ge verstandig, luister hiernaar, En leen het oor aan mijn rede:
16Se pur tu hai del senno, ascolta questo; Porgi l'orecchio alla voce de' miei ragionamenti.
17Kan Hij, die het recht zou haten, besturen; Kan de Alrechtvaardige onrecht bedrijven?
17Di vero, colui che odia la dirittura signoreggerebbe egli? E condannerai tu colui che è sommamente giusto?
18Hij, die tot den koning zegt: Belial Tot de edelen: Booswicht;
18Direbbesi egli ad un re: Scellerato? E a' principi: Empio?
19Die vorsten niet voortrekt, Den arme niet achterstelt bij den rijke. Neen, ze zijn allen het werk zijner handen,
19Quanto meno a colui che non ha riguardo alla qualità de' principi, Ed appo cui non è riconosciuto il possente, Per essere antiposto al povero, Perchè essi tutti sono opera delle sue mani?
20En sterven plotseling, midden in de nacht; Rijken worden opgeschrikt, en gaan heen, Machtigen verdwijnen, al steekt men er de hand niet naar uit.
20Essi muoiono in un momento, E di mezza notte tutto un popolo è conquassato, e perisce; E il potente è tolto via senza opera di mani.
21Want zijn ogen zijn op de wegen der mensen gericht, En Hij ziet al hun schreden;
21Perciocchè gli occhi suoi son sopra le vie dell'uomo, Ed egli vede tutti i passi di esso.
22Er bestaat geen duister of donker, Waarin de boosdoeners zich kunnen verbergen.
22Non vi è oscurità, nè ombra di morte alcuna, Ove si possan nascondere gli operatori d'iniquità.
23Neen, geen vaste tijd voor den mens, Om voor God ten gericht te verschijnen;
23Perciocchè Iddio non ha più riguardo all'uomo, Quando esso è per venire in giudicio davanti a lui.
24Hij verplettert den machtige zonder verhoor, En stelt anderen voor hem in de plaats.
24Egli fiacca i possenti incomprensibilmente, E ne costituisce altri in luogo loro.
25Hij geeft dus acht op hun daden, Hij stort ze omver in de nacht;
25Perciò, conoscendo egli le opere loro, Nel girar d'una notte son fiaccati,
26Ze worden verbrijzeld tot straf voor hun boosheid, Hij tuchtigt ze op de plaats, waar allen het zien.
26Egli li sbatte come empi, In luogo di molti spettatori;
27Want van Hem zijn ze afgeweken, En hebben op geen van zijn paden gelet;
27Perciocchè si son rivolti indietro da lui, E non hanno considerate tutte le sue vie;
28Ze hebben het kermen der armen tot Hem doen komen, Zodat Hij het klagen der ellendigen hoort.
28Facendo pervenire infino a lui il grido del povero, E facendogli udire lo strido degli afflitti.
29Hield Hij Zich stil, wie zou ze beschuldigen Bedekte Hij zijn gelaat, wie wees hen terecht? Neen, Hij houdt volk en eenling in het oog,
29Se egli rimanda in pace, chi condannerà? E se nasconde la sua faccia, chi lo riguarderà? O sia una nazione intiera , o un uomo solo ;
30Opdat geen boze regeert, het volk niet zondigt.
30Acciocchè l'uomo profano non regni più E che il popolo non sia più tenuto ne' lacci.
31Maar als de boze tot God zegt: Ik heb gedwaald, Doch ik wil niet meer zondigen;
31Certo ei ti si conveniva indirizzarti a Dio, dicendo: Io ho portato la pena ; io non peccherò più.
32Onderricht mij, totdat ik tot inzicht kom; Heb ik misdaan, ik doe het niet meer!
32Se vi è alcuna cosa , oltre a ciò che io veggo, mostramelo; Se io ho operato perversamente, io non continuerò più.
33Moet Hij, volgens u, het dan toch maar vergelden, Omdat gij zijn gerechtigheid anders misprijst? Gij hebt te beslissen, niet ik; Spreek dus uit, wat ge meent!
33Vorresti tu, ch'egli ti facesse la retribuzione di ciò ch' è proceduto da te? Sei tu che rifiuti ed eleggi, non già io; Di' pure ciò che tu sai.
34Verstandige mensen zullen mij zeggen, Met den wijzen man, die mij hoort:
34Gli uomini di senno diranno meco, E l'uomo savio mi acconsentirà,
35Job heeft niet verstandig gesproken, Zijn rede getuigt niet van inzicht.
35Che Giobbe non parla con conoscimento, E che le sue parole non sono con intendimento.
36Waarachtig, Job zal ten einde toe worden beproefd, Om zijn antwoorden, boosdoeners waardig;
36O padre mio, sia pur Giobbe provato infino all'ultimo, Per cagione delle sue repliche, simili a quelle degli uomini iniqui.
37Want hij heeft bij zijn zonde de misdaad gevoegd, Ons te honen, en tegen God een grote mond op te zetten!
37Perciocchè altrimenti egli aggiungerà misfatto al suo peccato, Si batterà a palme fra noi, E moltiplicherà le parole sue contro a Dio.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.