Job
Chapter 3
Petrus Canisius Bible, 1…
vs Diodati Bibbia 1885
Aa
Text size
Line width
Verse numbers
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Diodati Bibbia 1885
1Daarna opende Job zijn mond, om zijn geboorte dag te verwensen
1DOPO questo, Giobbe aprì la sua bocca, e maledisse il suo giorno.
2En Job hief aan en sprak:
2E prese a dire:
3De dag verga, waarop ik geboren werd; De nacht, die sprak: Er is een knaapje ontvangen!
3Possa perire il giorno nel quale io nacqui, E la notte che fu detto: Un maschio è nato.
4Die dag: hij worde duisternis, God in den hoge zij er niet om bekommerd; Geen lichtglans moge hem bestralen,
4Quel giorno sia tenebroso; Iddio non ne abbia cura da alto, E non risplenda la luce sopra esso.
5Maar duisternis en schaduw des doods hem bedekken; Mogen wolken zich boven hem samenpakken, En zonsverduistering hem verschrikken!
5Tenebre, ed ombra di morte rendanlo immondo; La nuvola dimori sopra esso; Queste cose rendanlo spaventevole, quali sono i giorni più acerbi.
6Die nacht: het donker rove hem weg, Hij telle niet mee onder de dagen van het jaar, En trede niet op in het getal van de maanden. Mogen de sterren van zijn ochtendschemering worden gedoofd; Hij hope op licht, dat niet daagt, Hij aanschouwe de wimpers van het morgenrood niet!
6Caligine ingombri quella notte; Non rallegrisi fra i giorni dell'anno, Non sia annoverata fra i mesi.
7Ja, troosteloos blijve die nacht, Geen juichtoon dringe tot hem door;
7Ecco, quella notte sia solitaria, Non facciansi in essa canti alcuni.
8Laat de dagbeheksers hem vervloeken, Gereed, om Liwjatan tegen hem op te hitsen:
8Maledicanla coloro che maledicono i giorni, I quali son sempre apparecchiati a far nuovi lamenti.
9Mogen de sterren van zijn ochtendschemering worden gedoofd; Hij hope op licht, dat niet daagt, Hij aanschouwe de wimpers van het morgenrood niet!
9Oscurinsi le stelle del suo vespro; Aspetti la luce, ma non ne venga alcuna, E non vegga le palpebre dell'alba;
10Want hij sloot mij de deuren niet dicht van de schoot, Hij verborg niet het leed voor mijn ogen!
10Perciocchè non serrò gli usci del seno di mia madre, E non fece sì che gli occhi miei non vedessero l'affanno.
11Waarom stierf ik niet, toen ik uit de moederschoot kwam, Ging ik niet dood, toen ik haar lichaam verliet;
11Perchè non morii io dalla matrice? Perchè non trapassai come prima uscii del seno?
12Waarom wachtten twee knieën mij op, Waarom twee borsten, om mij te zogen;
12Perchè mi furono pòrte le ginocchia? Perchè le mammelle, acciocchè io poppassi?
13Dan lag ik nu neer, en had rust; Ik zou slapen, en door niets meer worden gestoord:
13Conciossiachè ora giacerei, e mi riposerei; Io dormirei, e pezzo fa sarei in riposo,
14Naast koningen en rijksbestuurders, Die zich grafmonumenten hebben gebouwd;
14Con i re, e con i consiglieri della terra, I quali edificavano i luoghi deserti;
15Naast vorsten, badend in goud, En die hun paleizen vulden met zilver.
15Ovvero co' principi, che aveano dell'oro, Ed empievano le lor case d'argento;
16Waarom werd ik niet weggestopt als een misdracht, Als kinderkens, die het licht niet aanschouwen?
16Ovvero anche del tutto non sarei stato, come un abortivo nascosto, Come il feto che non ha veduta la luce.
17Daar, waar de bozen hun tieren staken, Waar rust vindt, wiens kracht is bezweken;
17Quivi cessano gli empi di travagliare altrui , E quivi si riposano gli stanchi.
18Waar de gevangenen allemaal vrede genieten, En de stem van de drijvers niet horen;
18Parimente i prigioni hanno requie, E non odono più la voce del sollecitator delle opere.
19Waar kleinen en groten gelijk zijn, De slaven van hun meesters bevrijd.
19Quivi è il piccolo e il grande; E il servo franco del suo signore.
20Waarom het licht aan een rampzalige geschonken, Aan zielsbedroefden het leven:
20Perchè dà egli la luce al miserabile, E la vita a coloro che sono in amaritudine d'animo?
21Aan hen, die de dood verbeiden, die niet komt, Die met groter vlijt naar hem dan naar schatten graven;
21I quali aspettano la morte, e pure ella non viene ; E la ricercano più che tesori nascosti;
22Die met blijdschap zouden juichen, En jubelen, wanneer zij het graf zouden vinden?
22E si rallegrano, fino a festeggiarne, E gioiscono, quando hanno trovato il sepolcro.
23Aan den man, wiens pad in de duisternis ligt, Wien God elke uitweg heeft afgesneden!
23Perchè dà egli la luce all'uomo, la cui via è nascosta, E il quale Iddio ha assiepato d'ogn'intorno?
24Want als mijn brood komt mijn zuchten, En als water stort zich mijn jammerklacht uit;
24Conciossiachè, avanti che io prenda il mio cibo, il mio sospiro venga, E i miei ruggiti si versino come acqua.
25Wanneer ik bang voor iets ben, overvalt het mij, Mij treft, wat ik ducht!
25Perchè ciò di che io avea spavento mi è avvenuto, E mi è sopraggiunto quello di che avea paura.
26Neen, geen rust voor mij, geen heil en geen vrede, Maar altijd weer tobben!
26Io non ho avuta tranquillità, nè riposo, nè quiete; Ed è venuto il turbamento.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.