Job
Chapter 32
Petrus Canisius Bible, 1…
vs Diodati Bibbia 1885
Aa
Text size
Line width
Verse numbers
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Diodati Bibbia 1885
1Toen deze drie mannen het hadden opgegeven, Job te antwoorden, omdat hij zich in hun ogen gerechtvaardigd had,
1ORA essendo que' tre uomini restati di rispondere a Giobbe, perchè gli pareva di esser giusto;
2ontbrandde de toorn van Elihoe den zoon van Barakel, den Boeziet, uit het geslacht van Ram. Tegen Job ontbrandde zijn toorn, omdat hij zich tegenover God in het gelijk had gesteld;
2Elihu, figliuolo di Baracheel, Buzita, della nazione di Ram, si accese nell'ira contro a Giobbe, perchè giustificava sè stesso anzi che Iddio;
3tegen zijn drie vrienden ontbrandde zijn toorn, omdat zij het juiste antwoord niet hadden gevonden, en daardoor God hadden beschuldigd.
3e contro a' tre amici di esso, perciocchè non aveano trovata alcuna replica, e pure aveano condannato Giobbe.
4Zolang zij met Job spraken, had Elihoe gewacht, omdat zij ouder waren dan hij.
4Ora Elihu avea aspettato che Giobbe avesse parlato; perciocchè egli ed i suoi amici erano più attempati di lui.
5Maar nu Elihoe bemerkte, dat er uit de mond van de drie mannen geen antwoord meer kwam, ontbrandde zijn toorn.
5Ma, veggendo che non vi era replica alcuna nella bocca di que' tre uomini, egli si accese nell'ira.
6En Elihoe, de zoon van Barakel, den Boeziet, nam het woord en sprak: Ik ben jong van dagen, En gij zijt bejaard; Daarom was ik beschroomd en bevreesd, U mijn mening te zeggen.
6Ed Elihu, figliuolo di Baracheel, Buzita, parlò, e disse: Io son giovane, e voi siete molto attempati; Perciò io ho avuta paura, ed ho temuto Di dichiararvi il mio parere.
7Ik dacht: Laat de ouderdom spreken, De hoge leeftijd de wijsheid verkonden!
7Io diceva: L'età parlerà, E la moltitudine degli anni farà conoscere la sapienza.
8Maar het is Gods geest in den mens, De adem van den Almachtige, die hem inzicht verleent;
8Certo lo spirito è negli uomini, Ma l'inspirazione dell'Onnipotente li fa intendere.
9Het zijn dus niet de bejaarden, die wijs zijn, Niet de grijsaards, die weten wat recht is.
9I maggiori non son sempre savi; E i vecchi non intendono sempre la dirittura.
10Daarom zeg ik: Luistert naar mij; Ik zal u verkonden, wat ik weet.
10Perciò io ho detto: Ascoltatemi; Ed io ancora dichiarerò il mio parere.
11Zie, ik heb gewacht op wat gij zoudt zeggen, En geluisterd naar uw betoog; Tot gij de juiste woorden zoudt vinden,
11Ecco, io ho aspettate le vostre parole, Io ho pòrto l'orecchio alle vostre considerazioni, Finchè voi aveste ricercati de' ragionamenti.
12Heb ik u al mijn aandacht gewijd. Maar zie, niemand van u heeft Job weerlegd, Niemand zijn betoog beantwoord!
12Ma avendo posto mente a voi, Ecco, non vi è alcun di voi che convinca Giobbe, Che risponda a' suoi ragionamenti;
13Zegt nu niet: We zijn op de wijsheid gestuit God, geen mens kan hem verslaan!
13Che talora non diciate: Noi abbiamo trovata la sapienza; Scaccilo ora Iddio, e non un uomo.
14Tegen mij heeft hij nog geen bewijzen gebracht, En met de uwen weerleg ik hem niet.
14Or egli non ha ordinati i suoi ragionamenti contro a me; Io altresì non gli risponderò secondo le vostre parole.
15Zij zijn verslagen, weten niets meer te zeggen, De woorden laten hen in de steek.
15Essi si sono sgomentati, non hanno più risposto; Le parole sono state loro tolte di bocca .
16Ik heb gewacht, maar zij spreken niet, Ze staan daar, en hebben geen antwoord meer;
16Io dunque ho aspettato; ma perciocchè non parlano più , Perchè restano e non rispondono più;
17Nu wil ik antwoorden op mijn beurt, Wil ik verkonden, wat ik weet!
17Io ancora risponderò per la parte mia; Io ancora dichiarerò il mio parere;
18Want ik ben geladen met woorden, En de geest in mijn binnenste prest mij er toe.
18Perciocchè io son pieno di parole, Lo spirito del mio ventre mi stringe.
19Zie, mijn geest is als wijn, die niet kan gisten, En die nieuwe zakken doet bersten;
19Ecco, il mio ventre è come un vino che non ha spiraglio, E schianterebbesi come barili nuovi.
20Ik moet spreken, om wat lucht te krijgen, Mijn lippen openen, en antwoord geven.
20Io parlerò adunque, ed avrò alcuna respirazione; Io aprirò le mie labbra, e risponderò.
21Ik wil niemand naar de ogen zien, En niemand vleien, wie het ook is;
21Già non mi avvenga di aver riguardo alla qualità della persona di alcuno; Io non m'infingerò parlando ad un uomo.
22Want ik heb geen verstand van vleierij: Mijn Schepper rukte mij dan aanstonds weg!
22Perciocchè io non so infingermi; Altrimenti, colui che mi ha fatto di subito mi torrebbe via.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.