Job 32
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Kulish and Puluj Bible (1905)
1Toen deze drie mannen het hadden opgegeven, Job te antwoorden, omdat hij zich in hun ogen gerechtvaardigd had,
1Як же ті трі мужі вже не відказували Йовові, тим що він себе мав за праведного,
2ontbrandde de toorn van Elihoe den zoon van Barakel, den Boeziet, uit het geslacht van Ram. Tegen Job ontbrandde zijn toorn, omdat hij zich tegenover God in het gelijk had gesteld;
2Тодї запалав гнївом Еліуй Барахиїленко, з Бузу, з роду Рамового; а запалав гнїв його на Йова за те, що виправдував себе більш, анїж Бога;
3tegen zijn drie vrienden ontbrandde zijn toorn, omdat zij het juiste antwoord niet hadden gevonden, en daardoor God hadden beschuldigd.
3А на трьох другів його досадував за те, що не знайшли влучної відповідї, а тільки винуватили Йова.
4Zolang zij met Job spraken, had Elihoe gewacht, omdat zij ouder waren dan hij.
4Еліуй же ждав, покіль Йов говорив, бо ті були старші його віком.
5Maar nu Elihoe bemerkte, dat er uit de mond van de drie mannen geen antwoord meer kwam, ontbrandde zijn toorn.
5Як же побачив Еліуй, що уста тих трьох мужів не вміли більш відказувати, то й запалав гнївом.
6En Elihoe, de zoon van Barakel, den Boeziet, nam het woord en sprak: Ik ben jong van dagen, En gij zijt bejaard; Daarom was ik beschroomd en bevreesd, U mijn mening te zeggen.
6От і озвавсь Еліуй Барахиїленко з Бузу так: Я молодий, а ви вже старцї: я боявсь висказувати мою думку.
7Ik dacht: Laat de ouderdom spreken, De hoge leeftijd de wijsheid verkonden!
7Я собі думав: Нехай говорять днї, і многі лїта навчають мудростї.
8Maar het is Gods geest in den mens, De adem van den Almachtige, die hem inzicht verleent;
8Але дух у чоловіцї та вдохновеннє від Вседержителя дають йому розум.
9Het zijn dus niet de bejaarden, die wijs zijn, Niet de grijsaards, die weten wat recht is.
9Не самі ж тільки многолїтні розумні, та й не самі старцї знають правду.
10Daarom zeg ik: Luistert naar mij; Ik zal u verkonden, wat ik weet.
10От чому я говорю. Тим то вислухайте мене, виповім і я те, що знаю.
11Zie, ik heb gewacht op wat gij zoudt zeggen, En geluisterd naar uw betoog; Tot gij de juiste woorden zoudt vinden,
11Ось, я вижидав, що ви казати мете, — вслуховавсь у ваші розсуджування, докіль ви придумували, що б сказати.
12Heb ik u al mijn aandacht gewijd. Maar zie, niemand van u heeft Job weerlegd, Niemand zijn betoog beantwoord!
12Пильно дивився на вас, та ось нї один із вас не спромігся доказати провину Йову, ба вже й перестали відповідати на слова його.
13Zegt nu niet: We zijn op de wijsheid gestuit God, geen mens kan hem verslaan!
13Не говоріте: ми знайшли мудрість у йому, й хиба Бог опрокине його, а не чоловік.
14Tegen mij heeft hij nog geen bewijzen gebracht, En met de uwen weerleg ik hem niet.
14От же, коли б він обертав слова свої до мене, я б не по вашому вмів на його річ відказати.
15Zij zijn verslagen, weten niets meer te zeggen, De woorden laten hen in de steek.
15Полякались, мовчять, перестали говорити.
16Ik heb gewacht, maar zij spreken niet, Ze staan daar, en hebben geen antwoord meer;
16А коли я жду, а вони не говорять, зʼупинились і вже не відказують,
17Nu wil ik antwoorden op mijn beurt, Wil ik verkonden, wat ik weet!
17То я відкажу й виявлю мою думку.
18Want ik ben geladen met woorden, En de geest in mijn binnenste prest mij er toe.
18Повен я слова, й дух мій в менї розпирає мене.
19Zie, mijn geest is als wijn, die niet kan gisten, En die nieuwe zakken doet bersten;
19Справдї, нутро моє, як молоде вино в зачиненій посудинї: воно готове розпукнутись, неначе міх новий.
20Ik moet spreken, om wat lucht te krijgen, Mijn lippen openen, en antwoord geven.
20Виговорюсь; стане менї легче; відчиню уста мої й відкажу.
21Ik wil niemand naar de ogen zien, En niemand vleien, wie het ook is;
21Не дивити мусь на лице чоловіка й нїякому чоловікові лестити не буду,
22Want ik heb geen verstand van vleierij: Mijn Schepper rukte mij dan aanstonds weg!
22Лестити бо я не вмію, нехай би й зараз убив мене Творець мій!
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.