Job 27
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Kulish and Puluj Bible (1905)
1-
1І повів Йов дальш мудру мову свою й говорив:
2Zo waar God leeft, die mij gerechtigheid weigert, De Almachtige, die mijn leven verbittert:
2Вірно, як жив Бог, (хоч і не дав менї суду), і Вседержитель, (хоч і огірчив мою душу),
3Zolang er nog een zucht in mij is, En Gods adem in mijn neus
3Що, покіль я ще дишу, й дух його в ніздрах моїх,
4Zullen mijn lippen geen valsheid spreken, En zint mijn tong geen bedrog!
4Не скажуть уста мої неправди, й льжи мій язик не промовить.
5Ik denk er niet aan, u gelijk te geven, Tot mijn laatste snik houd ik mijn onschuld vol;
5Далеко се від мене, щоб я вас непохибними вважав; нї! поки тху мого, я праведностї моєї не зречуся.
6Ik houd vast aan mijn vroomheid, en geef ze niet op, Mijn hart schaamt zich over geen van mijn dagen!
6Твердо при правдї стояв я й не попущусь її; совість моя не докорить менї по весь вік мій.
7Moge het mijn vijand vergaan als den boze, Mijn hater als den goddeloze!
7Ворог мій буде менї, як безбожник, а той, що встає проти мене, як беззаконник.
8Wat hoopt de boze, als hij bidt, Als hij zijn ziel tot de Godheid verheft?
8Бо й яку може мати надїю лицемірний, коли візме, коли вирве йому Бог душу його?
9Zal God zijn schreien horen, Wanneer de rampspoed hem treft;
9Чи ж вислухає Бог клик його, коли прийде на його нужда?
10Kan hij zich in den Almachtige verlustigen, Ten allen tijde roepen tot God?
10Чи Вседержитель буде відрадою йому, чи можна буде йому призивати його кожного часу?
11Daarna nam Sofar van Naäma het woord, en sprak: Ik zal u Gods werken leren kennen, De plannen van den Almachtige u niet verzwijgen:
11Виявлю вам, що в руцї в Бога; не втаю, що у Вседержителя.
12Zie, gij hebt het allen zelf aanschouwd: Waarom zo’n ijdele raad gegeven?
12Бачили ви й самі; на що ж вам стілько молоти?
13Dit is, naar Gods bestel, het lot van den boze, Het deel der tyrannen, door den Almachtige hun toegewezen.
13От злюцї в Бога доля, і пай, який допадаєсь од Бога гнобителям:
14Krijgt hij veel zonen, ze zijn bestemd voor het zwaard, En zijn kroost lijdt gebrek;
14Як прибудуть йому сини, то хиба під меч, а потомки його не наситяться хлїбом.
15Die hem overblijven, worden door de pest ten grave gesleept, En zijn weduwen bedrijven geen rouw.
15Хто ж зістане по йому, того забере смерть у гріб, а й вдови по них голосити не будуть.
16Al hoopt hij zilver op als stof, En stapelt kleren op als slijk,
16Хоч він надбає купи срібла, як піску, а одежі, наче глини, наскладає,
17Hij stapelt ze op, maar de vrome bekleedt er zich mee, En de onschuldige erft zijn geld.
17То він наскладає, а праведник буде одягатись, а сріблом невинний забагатїє.
18Hij trekt zijn woning op als een spin, Aan de hut gelijk, die wachters bouwen;
18Строїть він дім собі, — то як червяк, і, як садовий сторож, робить собі будку;
19Rijk legt hij zich neer: het is de laatste maal, Hij opent zijn ogen: hij is er niet meer.
19Лагає спати багатим, та таким не встане; отвирає очі, а він вже не той.
20Verschrikkingen grijpen hem aan overdag, En ‘s nachts sleurt een stormwind hem weg;
20Страх, мов потоп, прийде ва його неждано, й буря в ночі ухопить його.
21De oostenwind neemt hem op: daar gaat hij heen, Hij vaagt hem weg van zijn plaats.
21Вітер восточний підойме й понесе його, й летом помчить він поперед його;
22Zonder erbarmen slingert God zijn pijlen op hem af, Zodat hij voor zijn slagen moet vluchten;
22Напре бо на його й не пощадить, хоч як би він змагався втечи від його.
23Men klapt over hem in de handen, En fluit hem uit zijn woonplaats na.
23Тільки руками сплеснуть про його, й засвищуть про його над місцем його.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.