Job
Chapter 27
Petrus Canisius Bible, 1…
vs Chinese Union Vers…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Chinese Union Version, punctuated (Traditional)
1-
1約伯 接着說:
2Zo waar God leeft, die mij gerechtigheid weigert, De Almachtige, die mijn leven verbittert:
2上帝奪去我的理,全能者使我心中愁苦。 我指着永生的上帝起誓:
3Zolang er nog een zucht in mij is, En Gods adem in mijn neus
3我的生命尚在我裏面; 上帝所賜呼吸之氣仍在我的鼻孔內。
4Zullen mijn lippen geen valsheid spreken, En zint mijn tong geen bedrog!
4我的嘴決不說非義之言; 我的舌也不說詭詐之語。
5Ik denk er niet aan, u gelijk te geven, Tot mijn laatste snik houd ik mijn onschuld vol;
5我斷不以你們為是; 我至死必不以自己為不正!
6Ik houd vast aan mijn vroomheid, en geef ze niet op, Mijn hart schaamt zich over geen van mijn dagen!
6我持定我的義,必不放鬆; 在世的日子,我心必不責備我。
7Moge het mijn vijand vergaan als den boze, Mijn hater als den goddeloze!
7願我的仇敵如惡人一樣; 願那起來攻擊我的,如不義之人一般。
8Wat hoopt de boze, als hij bidt, Als hij zijn ziel tot de Godheid verheft?
8不敬虔的人雖然得利, 上帝奪取其命的時候還有甚麼指望呢?
9Zal God zijn schreien horen, Wanneer de rampspoed hem treft;
9患難臨到他, 上帝豈能聽他的呼求?
10Kan hij zich in den Almachtige verlustigen, Ten allen tijde roepen tot God?
10他豈以全能者為樂, 隨時求告上帝呢?
11Daarna nam Sofar van Naäma het woord, en sprak: Ik zal u Gods werken leren kennen, De plannen van den Almachtige u niet verzwijgen:
11上帝的作為,我要指教你們; 全能者所行的,我也不隱瞞。
12Zie, gij hebt het allen zelf aanschouwd: Waarom zo’n ijdele raad gegeven?
12你們自己也都見過, 為何全然變為虛妄呢?
13Dit is, naar Gods bestel, het lot van den boze, Het deel der tyrannen, door den Almachtige hun toegewezen.
13上帝為惡人所定的分, 強暴人從全能者所得的報乃是這樣:
14Krijgt hij veel zonen, ze zijn bestemd voor het zwaard, En zijn kroost lijdt gebrek;
14倘或他的兒女增多,還是被刀所殺; 他的子孫必不得飽食。
15Die hem overblijven, worden door de pest ten grave gesleept, En zijn weduwen bedrijven geen rouw.
15他所遺留的人必死而埋葬; 他的寡婦也不哀哭。
16Al hoopt hij zilver op als stof, En stapelt kleren op als slijk,
16他雖積蓄銀子如塵沙, 預備衣服如泥土;
17Hij stapelt ze op, maar de vrome bekleedt er zich mee, En de onschuldige erft zijn geld.
17他只管預備,義人卻要穿上; 他的銀子,無辜的人要分取。
18Hij trekt zijn woning op als een spin, Aan de hut gelijk, die wachters bouwen;
18他建造房屋如蟲做窩, 又如守望者所搭的棚。
19Rijk legt hij zich neer: het is de laatste maal, Hij opent zijn ogen: hij is er niet meer.
19他雖富足躺臥,卻不得收殮, 轉眼之間就不在了。
20Verschrikkingen grijpen hem aan overdag, En ‘s nachts sleurt een stormwind hem weg;
20驚恐如波濤將他追上; 暴風在夜間將他颳去。
21De oostenwind neemt hem op: daar gaat hij heen, Hij vaagt hem weg van zijn plaats.
21東風把他飄去, 又颳他離開本處。
22Zonder erbarmen slingert God zijn pijlen op hem af, Zodat hij voor zijn slagen moet vluchten;
22上帝要向他射箭,並不留情; 他恨不得逃脫上帝的手。
23Men klapt over hem in de handen, En fluit hem uit zijn woonplaats na.
23人要向他拍掌, 並要發叱聲,使他離開本處。

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.