Job 27
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Clementine Vulgate, 1598
1-
1Addidit quoque Job, assumens parabolam suam, et dixit:
2Zo waar God leeft, die mij gerechtigheid weigert, De Almachtige, die mijn leven verbittert:
2[Vivit Deus, qui abstulit judicium meum, et Omnipotens, qui ad amaritudinem adduxit animam meam.
3Zolang er nog een zucht in mij is, En Gods adem in mijn neus
3Quia donec superest halitus in me, et spiritus Dei in naribus meis,
4Zullen mijn lippen geen valsheid spreken, En zint mijn tong geen bedrog!
4non loquentur labia mea iniquitatem, nec lingua mea meditabitur mendacium.
5Ik denk er niet aan, u gelijk te geven, Tot mijn laatste snik houd ik mijn onschuld vol;
5Absit a me ut justos vos esse judicem: donec deficiam, non recedam ab innocentia mea.
6Ik houd vast aan mijn vroomheid, en geef ze niet op, Mijn hart schaamt zich over geen van mijn dagen!
6Justificationem meam, quam cœpi tenere, non deseram: neque enim reprehendit me cor meum in omni vita mea.
7Moge het mijn vijand vergaan als den boze, Mijn hater als den goddeloze!
7Sit ut impius, inimicus meus, et adversarius meus quasi iniquus.
8Wat hoopt de boze, als hij bidt, Als hij zijn ziel tot de Godheid verheft?
8Quæ est enim spes hypocritæ, si avare rapiat, et non liberet Deus animam ejus?
9Zal God zijn schreien horen, Wanneer de rampspoed hem treft;
9Numquid Deus audiet clamorem ejus, cum venerit super eum angustia?
10Kan hij zich in den Almachtige verlustigen, Ten allen tijde roepen tot God?
10aut poterit in Omnipotente delectari, et invocare Deum omni tempore?
11Daarna nam Sofar van Naäma het woord, en sprak: Ik zal u Gods werken leren kennen, De plannen van den Almachtige u niet verzwijgen:
11Docebo vos per manum Dei quæ Omnipotens habeat, nec abscondam.
12Zie, gij hebt het allen zelf aanschouwd: Waarom zo’n ijdele raad gegeven?
12Ecce vos omnes nostis: et quid sine causa vana loquimini?
13Dit is, naar Gods bestel, het lot van den boze, Het deel der tyrannen, door den Almachtige hun toegewezen.
13Hæc est pars hominis impii apud Deum, et hæreditas violentorum, quam ob Omnipotente suscipient.
14Krijgt hij veel zonen, ze zijn bestemd voor het zwaard, En zijn kroost lijdt gebrek;
14Si multiplicati fuerint filii ejus, in gladio erunt, et nepotes ejus non saturabuntur pane:
15Die hem overblijven, worden door de pest ten grave gesleept, En zijn weduwen bedrijven geen rouw.
15qui reliqui fuerint ex eo sepelientur in interitu, et viduæ illius non plorabunt.
16Al hoopt hij zilver op als stof, En stapelt kleren op als slijk,
16Si comportaverit quasi terram argentum, et sicut lutum præparaverit vestimenta:
17Hij stapelt ze op, maar de vrome bekleedt er zich mee, En de onschuldige erft zijn geld.
17præparabit quidem, sed justus vestietur illis, et argentum innocens dividet.
18Hij trekt zijn woning op als een spin, Aan de hut gelijk, die wachters bouwen;
18Ædificavit sicut tinea domum suam, et sicut custos fecit umbraculum.
19Rijk legt hij zich neer: het is de laatste maal, Hij opent zijn ogen: hij is er niet meer.
19Dives, cum dormierit, nihil secum auferet: aperiet oculos suos, et nihil inveniet.
20Verschrikkingen grijpen hem aan overdag, En ‘s nachts sleurt een stormwind hem weg;
20Apprehendet eum quasi aqua inopia: nocte opprimet eum tempestas.
21De oostenwind neemt hem op: daar gaat hij heen, Hij vaagt hem weg van zijn plaats.
21Tollet eum ventus urens, et auferet, et velut turbo rapiet eum de loco suo.
22Zonder erbarmen slingert God zijn pijlen op hem af, Zodat hij voor zijn slagen moet vluchten;
22Et mittet super eum, et non parcet: de manu ejus fugiens fugiet.
23Men klapt over hem in de handen, En fluit hem uit zijn woonplaats na.
23Stringet super eum manus suas, et sibilabit super illum, intuens locum ejus.]
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.