Job 30
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Clementine Vulgate, 1598
1Maar thans lachen jongere mensen mij uit, Lieden, wier vaders te min voor mij waren, Om ze bij mijn herdershonden te zetten;
1[Nunc autem derident me juniores tempore, quorum non dignabar patres ponere cum canibus gregis mei:
2Wier sterke hand mij zelfs niet kan dienen, Daar al hun kracht verloren ging,
2quorum virtus manuum mihi erat pro nihilo, et vita ipsa putabantur indigni:
3Door gebrek en honger is uitgeput. Lieden, die de stronken afknagen in de woestijn, In het land der steppe en wildernis;
3egestate et fame steriles, qui rodebant in solitudine, squallentes calamitate et miseria.
4Die zilte kruiden van de struiken plukken, En zich voeden met de wortels der brem;
4Et mandebant herbas, et arborum cortices, et radix juniperorum erat cibus eorum:
5Die uit de samenleving zijn weggejaagd, En die men naschreeuwt als dieven.
5qui de convallibus ista rapientes, cum singula reperissent, ad ea cum clamore currebant.
6Lieden, die in de krochten van afgronden wonen, In aardholen en rotsen;
6In desertis habitabant torrentium, et in cavernis terræ, vel super glaream:
7Die balken tussen de struiken, Samenhokken onder de netels;
7qui inter hujuscemodi lætabantur, et esse sub sentibus delicias computabant:
8Die als een dwaas en naamloos broed Weggezweept zijn uit het land.
8filii stultorum et ignobilium, et in terra penitus non parentes.
9En thans ben ik hun spotlied geworden, En de stof voor hun praat.
9Nunc in eorum canticum versus sum, et factus sum eis in proverbium.
10Vol afschuw blijven ze op een afstand staan, En ontzien zich niet, mij in het gezicht te spuwen.
10Abominantur me, et longe fugiunt a me, et faciem meam conspuere non verentur.
11Zij mishandelen mij, nu ze hun teugel hebben losgerukt Hun breidel hebben afgeworpen.
11Pharetram enim suam aperuit, et afflixit me, et frenum posuit in os meum.
12Aan mijn rechterhand verheft zich dat broed, Mijn voeten stoten hen weg; Ze banen tegen mij hun onheilspaden,
12Ad dexteram orientis calamitates meæ illico surrexerunt: pedes meos subverterunt, et oppresserunt quasi fluctibus semitis suis.
13En vernielen mijn weg, om mij te verderven. Ze trekken op, er is niemand, die hen weerhoudt,
13Dissipaverunt itinera mea; insidiati sunt mihi, et prævaluerunt: et non fuit qui ferret auxilium.
14Als door een wijde bres rukken ze aan. Onder de puinhopen kwam ze aangerold
14Quasi rupto muro, et aperta janua, irruerunt super me, et ad meas miserias devoluti sunt.
15Keerde zich tegen mij de verschrikking; Als een stormwind waaide mijn aanzien weg, Mijn geluk dreef voorbij als een wolk.
15Redactus sum in nihilum: abstulisti quasi ventus desiderium meum, et velut nubes pertransiit salus mea.
16En thans stort zich mijn ziel in mij uit, Grijpen de dagen van rampspoed mij aan!
16Nunc autem in memetipso marcescit anima mea, et possident me dies afflictionis.
17Des nachts wordt mijn gebeente doorboord, En nemen mijn knagende pijnen geen rust;
17Nocte os meum perforatur doloribus, et qui me comedunt, non dormiunt.
18Door het grote geweld is mijn vlees ontredderd, Het knelt mij als de kraag van mijn kleed.
18In multitudine eorum consumitur vestimentum meum, et quasi capito tunicæ succinxerunt me.
19God heeft mij in de modder geworpen, Ik zie er uit als stof en as.
19Comparatus sum luto, et assimilatus sum favillæ et cineri.
20Ik roep tot U, maar Gij antwoordt niet; Ik sta overeind, maar Gij let niet op mij.
20Clamo ad te, et non exaudis me: sto, et non respicis me.
21Gij zijt wreed tegen mij, Met uw krachtige hand bestookt Gij mij;
21Mutatus es mihi in crudelem, et in duritia manus tuæ adversaris mihi.
22Gij heft mij op, jaagt mij voort op de wind, Een noodweer lost mij in water op.
22Elevasti me, et quasi super ventum ponens; elisisti me valide.
23Ja, ik weet, Gij leidt mij ten dode, Naar de verzamelplaats van al wat leeft.
23Scio quia morti trades me, ubi constituta est domus omni viventi.
24Maar steekt een drenkeling de hand niet uit, Roept men in zijn ellende niet om hulp?
24Verumtamen non ad consumptionem eorum emittis manum tuam: et si corruerint, ipse salvabis.
25Heb ik zelf niet geweend over den zwaar beproefde, Was ik over den arme niet zielsbedroefd?
25Flebam quondam super eo qui afflictus erat, et compatiebatur anima mea pauperi.
26Ja, ik hoopte op geluk, maar het onheil kwam; Ik verwachtte het licht, maar het duister viel in.
26Expectabam bona, et venerunt mihi mala: præstolabar lucem, et eruperunt tenebræ.
27Mijn binnenste kookt, en komt niet tot rust, Dagen van jammer treden mij tegen.
27Interiora mea efferbuerunt absque ulla requie: prævenerunt me dies afflictionis.
28Zwart loop ik rond, maar niet van de zon; Sta ik op in de gemeente, ik roep om hulp!
28Mœrens incedebam sine furore; consurgens, in turba clamabam.
29Ik ben een broer van de jakhalzen, Een makker der struisen;
29Frater fui draconum, et socius struthionum.
30Mijn huid is zwart, en laat van mij los, Mijn beenderen branden van koorts;
30Cutis mea denigrata est super me, et ossa mea aruerunt præ caumate.
31Mijn citer is voor rouwklacht gestemd, Mijn fluit voor geween!.
31Versa est in luctum cithara mea, et organum meum in vocem flentium.]
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.