Job 12
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Clementine Vulgate, 1598
1Job antwoordde, en sprak:
1Respondens autem Job, dixit:
2Ja zeker, gij vertegenwoordigt het volk, En met u sterft de wijsheid uit!
2[Ergo vos estis soli homines, et vobiscum morietur sapientia?
3Ik heb evenveel verstand als gij Wie zou trouwens dit alles niet weten?
3Et mihi est cor sicut et vobis, nec inferior vestri sum; quis enim hæc quæ nostis ignorat?
4Laat mij de spot zijn van mijn vriend; Ik roep Jahweh aan, Hij zal mij verhoren! Bespotting voor de deugd van de vromen,
4Qui deridetur ab amico suo, sicut ego, invocabit Deum, et exaudiet eum: deridetur enim justi simplicitas.
5Verachting voor de beproefden: denkt het gelukskind, En een trap voor hen, wier voeten wankelen;
5Lampas contempta apud cogitationes divitum parata ad tempus statutum.
6Maar vrede voor de tenten der rovers, Onbezorgdheid voor hen, die God durven tarten, En die God naar hun hand willen zetten!
6Abundant tabernacula prædonum, et audacter provocant Deum, cum ipse dederit omnia in manus eorum.
7Ondervraag slechts het vee: het zal het u leren; De vogels uit de lucht; zij vertellen het u;
7Nimirum interroga jumenta, et docebunt te; et volatilia cæli, et indicabunt tibi.
8Of het kruipend gedierte op aarde: zij zullen het zeggen; De vissen der zee: zij lichten u in.
8Loquere terræ, et respondebit tibi, et narrabunt pisces maris.
9Wie onder die allen, die het niet weet, Dat de hand van Jahweh dit wrocht!
9Quis ignorat quod omnia hæc manus Domini fecerit?
10Hij, die iedere levende ziel in zijn hand heeft, En de adem van alle menselijk vlees!
10In cujus manu anima omnis viventis, et spiritus universæ carnis hominis.
11Of kan het oor geen woorden meer toetsen, Het gehemelte geen spijzen meer proeven;
11Nonne auris verba dijudicat? et fauces comedentis, saporem?
12Is er geen wijsheid meer bij bejaarden, Op hoge leeftijd geen inzicht?
12In antiquis est sapientia, et in multo tempore prudentia.
13Bij Hem is wijsheid en macht, Bij Hem beleid en verstand.
13Apud ipsum est sapientia et fortitudo; ipse habet consilium et intelligentiam.
14Haalt Hij omver, men bouwt niet op, Dien Hij kerkert, doet men niet open.
14Si destruxerit, nemo est qui ædificet; si incluserit hominem, nullus est qui aperiat.
15Houdt Hij de wateren tegen, ze drogen op; Laat Hij ze los, ze woelen het land om.
15Si continuerit aquas, omnia siccabuntur; et si emiserit eas, subvertent terram.
16Bij Hem is kracht en vernuft, Hem behoort de verleide met den verleider;
16Apud ipsum est fortitudo et sapientia; ipse novit et decipientem, et eum qui decipitur.
17Raadsheren laat Hij barrevoets gaan, En rechters maakt Hij tot dwazen;
17Adducit consiliarios in stultum finem, et judices in stuporem.
18De boeien der koningen maakt Hij los, En legt een koord om hun eigen heup.
18Balteum regum dissolvit, et præcingit fune renes eorum.
19De priesters laat Hij barrevoets gaan, En oude geslachten brengt Hij ten val;
19Ducit sacerdotes inglorios, et optimates supplantat:
20Aan vertrouwbare mannen ontneemt Hij de spraak, En ontrooft de grijsaards hun oordeel;
20commutans labium veracium, et doctrinam senum auferens.
21Hij stort verachting over edelen uit, En rukt de gordel der machtigen los.
21Effundit despectionem super principes, eos qui oppressi fuerant relevans.
22-
22Qui revelat profunda de tenebris, et producit in lucem umbram mortis.
23Hij maakt naties groot, en richt ze ten gronde, Breidt volken uit, en stoot ze neer;
23Qui multiplicat gentes, et perdit eas, et subversas in integrum restituit.
24Hij berooft de vorsten der aarde van hun verstand, En laat ze in de ongebaande wildernis dolen;
24Qui immutat cor principum populi terræ, et decipit eos ut frustra incedant per invium:
25Ze tasten in de duisternis rond, zonder licht, Ze waggelen als een dronken man.
25palpabunt quasi in tenebris, et non in luce, et errare eos faciet quasi ebrios.]
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.