Job 29
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Clementine Vulgate, 1598
1Job vervolgde zijn rede, en sprak
1Addidit quoque Job, assumens parabolam suam, et dixit:
2Ach, was ik als in vroeger maanden, In de tijd, toen God mij behoedde,
2[Quis mihi tribuat ut sim juxta menses pristinos, secundum dies quibus Deus custodiebat me?
3Toen Hij zijn lamp boven mijn hoofd liet stralen, En ik bij zijn licht door de duisternis ging;
3Quando splendebat lucerna ejus super caput meum, et ad lumen ejus ambulabam in tenebris:
4Zoals ik was in mijn beste dagen Toen God mijn tent nog beschutte!
4sicut fui in diebus adolescentiæ meæ, quando secreto Deus erat in tabernaculo meo:
5Toen de Almachtige nog met mij was, Mijn kinderen mij nog omringden;
5quando erat Omnipotens mecum, et in circuitu meo pueri mei:
6Toen mijn voeten zich baadden in boter, De rots, waar ik stond, beken olie liet stromen;
6quando lavabam pedes meos butyro, et petra fundebat mihi rivos olei:
7Als ik uitging naar de poort van de stad, En op het plein mijn zetel liet zetten:
7quando procedebam ad portam civitatis, et in platea parabant cathedram mihi.
8Trokken de jongemannen zich terug, zodra ze mij zagen, Rezen de grijsaards op en bleven staan,
8Videbant me juvenes, et abscondebantur: et senes assurgentes stabant.
9Staakten de edelen hun gesprek En legden de hand op hun mond.
9Principes cessabant loqui, et digitum superponebant ori suo.
10De stem der leiders verstomde, Hun tong kleefde aan hun gehemelte vast;
10Vocem suam cohibebant duces, et lingua eorum gutturi suo adhærebat.
11Toen het oor, dat het hoorde, mij gelukkig prees En het oog, dat het zag, mij bijval schonk!
11Auris audiens beatificabat me, et oculus videns testimonium reddebat mihi:
12Want ik hielp den arme, die om bijstand riep, Den wees, die geen helper meer had;
12eo quod liberassem pauperem vociferantem, et pupillum cui non esset adjutor.
13Dien de ondergang dreigde, zegende mij, Het hart der weduwe vrolijkte ik op;
13Benedictio perituri super me veniebat, et cor viduæ consolatus sum.
14Rechtschapenheid trok ik aan als een kleed, Mijn gerechtigheid als een mantel en kroon.
14Justitia indutus sum, et vestivi me, sicut vestimento et diademate, judicio meo.
15Ik was de ogen voor blinden, De voeten voor kreupelen;
15Oculus fui cæco, et pes claudo.
16Voor armen was ik een vader, Voor onbekenden onderzocht ik het pleit.
16Pater eram pauperum, et causam quam nesciebam diligentissime investigabam.
17Maar den boosdoener brak ik de tanden, En rukte hem de prooi uit zijn kaken.
17Conterebam molas iniqui, et de dentibus illius auferebam prædam.
18Ik dacht bij mijzelf: Oud zal ik sterven Mijn dagen zullen talrijk zijn als het zand;
18Dicebamque: In nidulo meo moriar, et sicut palma multiplicabo dies.
19Mijn wortel zal openstaan voor het water, De dauw op mijn takken vernachten;
19Radix mea aperta est secus aquas, et ros morabitur in messione mea.
20Mijn eer blijft steeds nieuw, Mijn boog wint aan jeugdige kracht in mijn hand!
20Gloria mea semper innovabitur, et arcus meus in manu mea instaurabitur.
21Ze luisterden zwijgend naar mij En wachtten mijn beslissing af;
21Qui me audiebant, expectabant sententiam, et intenti tacebant ad consilium meum.
22Had ik uitgesproken, dan nam niemand het woord, Maar mijn rede druppelde op hen neer.
22Verbis meis addere nihil audebant, et super illos stillabat eloquium meum.
23Ze verlangden naar mij als naar regen, Met open mond als naar een late bui.
23Expectabant me sicut pluviam, et os suum aperiebant quasi ad imbrem serotinum.
24Lachte ik hun toe, ze durfden het niet geloven, En vingen het stralen van mijn aangezicht op.
24Siquando ridebam ad eos, non credebant: et lux vultus mei non cadebat in terram.
25Bezocht ik hen, ik zat bovenaan, Troonde als een vorst bij zijn troepen, als een die treurenden troost.
25Si voluissem ire ad eos, sedebam primus: cumque sederem quasi rex, circumstante exercitu, eram tamen mœrentium consolator.]
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.