Job 29
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Korean Bible, 1910 (한국어 성경)
1Job vervolgde zijn rede, en sprak
1욥이 또 비사를 들어 가로되
2Ach, was ik als in vroeger maanden, In de tijd, toen God mij behoedde,
2내가 이전 달과 하나님이 나를 보호하시던 날에 지내던 것 같이 되었으면
3Toen Hij zijn lamp boven mijn hoofd liet stralen, En ik bij zijn licht door de duisternis ging;
3그 때는 그의 등불이 내 머리에 비취었고 내가 그 광명을 힘입어 흑암에 행하였었느니라
4Zoals ik was in mijn beste dagen Toen God mijn tent nog beschutte!
4나의 강장하던 날과 같이 지내었으면 그 때는 하나님의 우정이 내 장막 위에 있었으며
5Toen de Almachtige nog met mij was, Mijn kinderen mij nog omringden;
5그 때는 전능자가 오히려 나와 함께 계셨으며 나의 자녀들이 나를 둘러 있었으며
6Toen mijn voeten zich baadden in boter, De rots, waar ik stond, beken olie liet stromen;
6뻐터가 내 발자취를 씻기며 반석이 나를 위하여 기름 시내를 흘러 내었으며
7Als ik uitging naar de poort van de stad, En op het plein mijn zetel liet zetten:
7그 때는 내가 나가서 성문에 이르기도 하며 내 자리를 거리에 베풀기도 하였었느니라
8Trokken de jongemannen zich terug, zodra ze mij zagen, Rezen de grijsaards op en bleven staan,
8나를 보고 소년들은 숨으며 노인들은 일어나서 서며
9Staakten de edelen hun gesprek En legden de hand op hun mond.
9방백들은 말을 참고 손으로 입을 가리우며
10De stem der leiders verstomde, Hun tong kleefde aan hun gehemelte vast;
10귀인들은 소리를 금하니 그 혀가 입 천장에 붙었었느니라
11Toen het oor, dat het hoorde, mij gelukkig prees En het oog, dat het zag, mij bijval schonk!
11귀가 들은즉 나를 위하여 축복하고 눈이 본즉 나를 위하여 증거하였었나니
12Want ik hielp den arme, die om bijstand riep, Den wees, die geen helper meer had;
12이는 내가 부르짖는 빈민과 도와줄 자 없는 고아를 건졌음이라
13Dien de ondergang dreigde, zegende mij, Het hart der weduwe vrolijkte ik op;
13망하게 된 자도 나를 위하여 복을 빌었으며 과부의 마음이 나로 인하여 기뻐 노래하였었느니라
14Rechtschapenheid trok ik aan als een kleed, Mijn gerechtigheid als een mantel en kroon.
14내가 의로 옷을 삼아 입었으며 나의 공의는 도포와 면류관 같았었느니라
15Ik was de ogen voor blinden, De voeten voor kreupelen;
15나는 소경의 눈도 되고 절뚝발이의 발도 되고
16Voor armen was ik een vader, Voor onbekenden onderzocht ik het pleit.
16빈궁한 자의 아비도 되며 생소한 자의 일을 사실하여 주었으며
17Maar den boosdoener brak ik de tanden, En rukte hem de prooi uit zijn kaken.
17불의한 자의 어금니를 꺽고 그 잇사이에서 겁탈한 물건을 빼어 내었었느니라
18Ik dacht bij mijzelf: Oud zal ik sterven Mijn dagen zullen talrijk zijn als het zand;
18내가 스스로 말하기를 나는 내 보금자리에서 선종하리라 나의 날은 모래 같이 많을 것이라
19Mijn wortel zal openstaan voor het water, De dauw op mijn takken vernachten;
19내 뿌리는 물로 뻗어나가고 내 가지는 밤이 맞도록 이슬에 젖으며
20Mijn eer blijft steeds nieuw, Mijn boog wint aan jeugdige kracht in mijn hand!
20내 영광은 내게 새로와지고 내 활은 내 손에서 날로 강하여지느니라 하였었노라
21Ze luisterden zwijgend naar mij En wachtten mijn beslissing af;
21무리는 내 말을 들으며 나의 가르치기를 잠잠히 기다리다가
22Had ik uitgesproken, dan nam niemand het woord, Maar mijn rede druppelde op hen neer.
22내가 말한 후에 그들이 말을 내지 못하였었나니 나의 말이 그들에게 이슬 같이 됨이니라
23Ze verlangden naar mij als naar regen, Met open mond als naar een late bui.
23그들이 나 바라기를 비 같이 하였으며 입을 벌리기를 늦은 비 기다리듯 하였으므로
24Lachte ik hun toe, ze durfden het niet geloven, En vingen het stralen van mijn aangezicht op.
24그들이 의지 없을 때에 내가 함소하여 동정하면 그들이 나의 얼굴 빛을 무색하게 아니하였었느니라
25Bezocht ik hen, ik zat bovenaan, Troonde als een vorst bij zijn troepen, als een die treurenden troost.
25내가 그들의 길을 택하고 으뜸으로 앉았었나니 왕이 군중에 거함도 같았고 애곡하는 자를 위로하는 사람도 같았었느니라
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.