Job
Chapter 29
Petrus Canisius Bible, 1…
vs Diodati Bibbia 1885
Aa
Text size
Line width
Verse numbers
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Diodati Bibbia 1885
1Job vervolgde zijn rede, en sprak
1E GIOBBE riprese il suo ragionamento, e disse:
2Ach, was ik als in vroeger maanden, In de tijd, toen God mij behoedde,
2Oh! fossi io pure come a' mesi di prima, Come al tempo che Iddio mi guardava!
3Toen Hij zijn lamp boven mijn hoofd liet stralen, En ik bij zijn licht door de duisternis ging;
3Quando egli faceva rilucere la sua lampana sopra il mio capo, E quando io camminava al suo lume, per mezzo le tenebre;
4Zoals ik was in mijn beste dagen Toen God mijn tent nog beschutte!
4Come io era al tempo della mia giovanezza, Mentre il consiglio di Dio governava il mio tabernacolo;
5Toen de Almachtige nog met mij was, Mijn kinderen mij nog omringden;
5Mentre l'Onnipotente era ancora meco, E i miei famigli mi erano d'intorno;
6Toen mijn voeten zich baadden in boter, De rots, waar ik stond, beken olie liet stromen;
6Mentre io lavava i miei passi nel burro, E le rocce versavano presso di me de' ruscelli d'olio.
7Als ik uitging naar de poort van de stad, En op het plein mijn zetel liet zetten:
7Quando io andava fuori alla porta per la città, O mi faceva porre il mio seggio in su la piazza,
8Trokken de jongemannen zich terug, zodra ze mij zagen, Rezen de grijsaards op en bleven staan,
8I fanciulli, veggendomi, si nascondevano; E i vecchi si levavano, e stavano in piè;
9Staakten de edelen hun gesprek En legden de hand op hun mond.
9I principali si rattenevano di parlare, E si mettevano la mano in su la bocca;
10De stem der leiders verstomde, Hun tong kleefde aan hun gehemelte vast;
10La voce de' rettori era celata, E la lor lingua era attaccata al lor palato;
11Toen het oor, dat het hoorde, mij gelukkig prees En het oog, dat het zag, mij bijval schonk!
11L'orecchio che mi udiva mi celebrava beato; L'occhio che mi vedeva mi rendeva testimonianza;
12Want ik hielp den arme, die om bijstand riep, Den wees, die geen helper meer had;
12Perciocchè io liberava il povero che gridava, E l'orfano che non avea chi l'aiutasse.
13Dien de ondergang dreigde, zegende mij, Het hart der weduwe vrolijkte ik op;
13La benedizione di chi periva veniva sopra me; Ed io faceva cantare il cuor della vedova.
14Rechtschapenheid trok ik aan als een kleed, Mijn gerechtigheid als een mantel en kroon.
14Io mi vestiva di giustizia, ed ella altresì mi rivestiva; La mia dirittura mi era come un ammanto, e come una benda.
15Ik was de ogen voor blinden, De voeten voor kreupelen;
15Io era occhi al cieco, E piedi allo zoppo.
16Voor armen was ik een vader, Voor onbekenden onderzocht ik het pleit.
16Io era padre a' bisognosi, E investigava la causa che mi era sconosciuta.
17Maar den boosdoener brak ik de tanden, En rukte hem de prooi uit zijn kaken.
17E rompeva i mascellari al perverso, E gli faceva gittar la preda d'infra i denti.
18Ik dacht bij mijzelf: Oud zal ik sterven Mijn dagen zullen talrijk zijn als het zand;
18Onde io diceva: Io morrò nel mio nido, E moltiplicherò i miei giorni come la rena.
19Mijn wortel zal openstaan voor het water, De dauw op mijn takken vernachten;
19La mia radice era aperta alle acque, E la rugiada era tutta la notte in su i miei rami.
20Mijn eer blijft steeds nieuw, Mijn boog wint aan jeugdige kracht in mijn hand!
20La mia gloria si rinnovava in me, E il mio arco si rinforzava in mano mia.
21Ze luisterden zwijgend naar mij En wachtten mijn beslissing af;
21Altri mi ascoltava, ed aspettava che io avessi parlato ; E taceva al mio consiglio.
22Had ik uitgesproken, dan nam niemand het woord, Maar mijn rede druppelde op hen neer.
22Dopo che io avea parlato, niuno replicava; E i miei ragionamenti stillavano sopra loro.
23Ze verlangden naar mij als naar regen, Met open mond als naar een late bui.
23Essi mi aspettavano come la pioggia, Ed aprivano la bocca, come dietro alla pioggia della stagione della ricolta.
24Lachte ik hun toe, ze durfden het niet geloven, En vingen het stralen van mijn aangezicht op.
24Se io rideva verso loro, essi nol credevano, E non facevano scader la chiarezza della mia faccia.
25Bezocht ik hen, ik zat bovenaan, Troonde als een vorst bij zijn troepen, als een die treurenden troost.
25Se mi piaceva d'andar con loro, io sedeva in capo, Ed abitava con loro come un re fra le sue schiere, E come una persona che consola quelli che fanno cordoglio.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.