Job 18
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Diodati Bibbia 1885
1Nu nam Bildad van Sjóeach het woord, en sprak:
1E BILDAD Suhita rispose, e disse:
2Wanneer maakt gij eindelijk eens een eind aan uw praten, Wordt gij verstandig, en laat ons aan het woord;
2Fino a quando non metterete fine a' ragionamenti? Intendete prima , e poi parleremo insieme .
3Waarom worden wij als vee beschouwd, En zijn wij zo dom in uw ogen?
3Perchè siamo noi riputati per bestie? E perchè ci avete voi a schifo?
4Gij, die in uw woede uzelf verscheurt: Zou om uwentwil de aarde worden ontvolkt, Een rots van haar plaats verwijderd, Een berg van zijn grondslag gerukt?
4O tu , che laceri l'anima tua nel tuo cruccio, Sarà la terra abbandonata per cagion tua, E saranno le roccie trasportate dal luogo loro?
5Waarachtig, het licht van den boze dooft uit, De vlam van zijn vuur blijft niet schijnen;
5Sì, la luce degli empi sarà spenta, E niuna favilla del fuoco loro rilucerà.
6Het licht wordt donker in zijn tent, De lamp gaat boven hem uit.
6La luce sarà oscurata nel lor tabernacolo. E la lor lampana sarà spenta intorno a loro.
7Zijn krachtige tred wordt verlamd, Zijn eigen beleid doet hem struikelen;
7I lor fieri passi saran ristretti, E il lor proprio consiglio li traboccherà abbasso;
8Want door zijn eigen voeten wordt hij in het net gedreven, En wandelt hij over de mazen.
8Perciocchè essi si gitteranno nel laccio co' piedi loro, E cammineranno sopra la rete.
9Een klem grijpt zijn hiel, een net houdt hem vast.
9Il laccio prenderà loro il calcagno, Il ladrone farà loro forza e violenza.
10Zijn strik ligt in de grond verborgen, een val op zijn pad;
10La fune sarà loro nascosta in terra, E la trappola in sul sentiero.
11Verschrikkingen beangstigen hem van alle kant, En vervolgen hem, stap voor stap.
11Spaventi li conturberanno d'ogn'intorno, E li faranno fuggire in rotta.
12Het onheil hongert naar hem, De rampspoed staat aan zijn zijde gereed;
12La lor forza sarà affamata, E la calamità sarà loro apparecchiata allato.
13Zijn huid wordt door ziekte verteerd, De eersteling van de dood slokt zijn leden op.
13Il primogenito della morte divorerà le membra della lor pelle; Divorerà le membra loro.
14Hij wordt uit zijn tent gerukt, waar hij zich veilig waande, En zij sleept hem naar den vorst der verschrikking
14La lor confidanza sarà divelta dal lor tabernacolo; E ciò li farà camminare al re degli spaventi.
15Zij woont in zijn tent, die hem niet langer behoort, En over zijn woning wordt zwavel gestrooid.
15Abiteranno ne' lor tabernacoli che non saranno più loro; Ei si spargerà del solfo in su le loro stanze.
16Van onderen verdorren zijn wortels, Van boven verwelken zijn twijgen;
16Disotto le lor radici si seccheranno, E disopra i lor rami saranno tagliati.
17Zijn gedachtenis verdwijnt uit het land, Zelfs in de steppe heeft hij geen naam.
17La lor memoria perirà d'in su la terra, E non avranno nome alcuno sopra le piazze.
18Men stoot hem uit het licht de duisternis in, Men jaagt hem uit de wereld weg;
18Saranno spinti dalla luce nelle tenebre, E saranno cacciati fuor del mondo.
19Hij heeft onder zijn volk geen kroost, geen geslacht, In zijn woonplaats geen, die hem rest.
19Non avranno figliuoli, nè nipoti fra il lor popolo, Nè alcuno che sopravviva loro nelle loro abitazioni.
20Over zijn lot staat het Westen ontsteld, En het Oosten siddert er van:
20La posterità stupirà del lor giorno, Come gli antenati ne avranno avuto orrore.
21Waarachtig, zo gaat het met het verblijf van den boze, Met de woonplaats van hem, die God miskent!
21Certo tali saranno gli abitacoli de' perversi, E tal sarà il luogo di coloro che non conoscono Iddio.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.