Job 24
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Diodati Bibbia 1885
1Job antwoordde, en sprak Waarom zijn er door den Almachtige dan geen tijden bepaald, En aanschouwen zij, die Hem kennen, zijn dagen niet?
1Perchè non dirassi che i tempi sono occultati dall'Onnipotente, E che quelli che lo conoscono, non veggono i suoi giorni?
2Waarom verzetten dan de bozen de grensstenen, En beroven zij kudde en herder?
2Gli empi muovono i termini, Rapiscono le gregge, e le pasturano;
3Ze voeren den ezel der wezen weg, En leggen beslag op het rund van de weduwe;
3Menano via l'asino degli orfani; Prendono in pegno il bue della vedova;
4De berooiden worden van de weg gedrongen, De armen in het land moeten zich allen verbergen;
4Fanno torcere i bisognosi dalla via, I poveri della terra si nascondono tutti.
5Als wilde ezels in de woestijn Trekken ze uit, om te zwoegen. Ze zoeken tot de avond naar buit, Maar geen brood voor hun kinderen!
5Ecco, son simili ad asini salvatici nel deserto: Escono al lor mestiere, si levano la mattina per andare alla preda; La campagna è il lor pane, per li lor fantini.
6Ze roven des nachts de oogst van het veld, En zoeken de wijngaard der rijken af.
6Mietono il campo, E vendemmiano la vigna che non è loro.
7Naakt overnachten zij, zonder kleed, En zonder dekking tegen de kou;
7Fanno passar la notte agl'ignudi senza vestimenti, Sì che non hanno con che coprirsi al freddo.
8Ze worden nat door de stortvloed der bergen, Drukken zich tegen de rotsen, omdat de schuilplaats ontbreekt
8Sono bagnati dalle acque che traboccano da' monti; E per mancamento di ricetto, abbracciano i sassi.
9Ze rukken den wees van de moederborst af En nemen den zuigeling der armen tot pand.
9Rapiscono l'orfano dalla poppa, E prendono pegno dal povero.
10Naakt lopen ze rond, ongekleed, Zelf hongerig, moeten ze schoven torsen;
10Fanno andar gl'ignudi senza vestimenti; E quelli che portano loro le manelle delle biade soffrono fame.
11Ze persen de olie tussen twee stenen, Treden de perskuip, maar lijden dorst.
11Quelli che spremono loro l'olio intra i lor muri, E quelli che calcano ne' torcoli soffrono sete.
12Uit de stad stijgt het kermen der stervenden op, En roept de ziel der gewonden om hulp; Maar God luistert niet naar hun smeken, Hùn schenkt Hij geen aandacht!
12Gli uomini gemono dalla città E l'anima de' feriti a morte sclama; E pure Iddio non appone loro alcun fallo.
13En schuwen het licht; Ze kennen zijn wegen niet, En blijven niet op zijn paden.
13Essi son di quelli che son ribelli alla luce, Non conoscono le sue vie, E non si fermano ne' suoi sentieri.
14Eer het licht wordt, maakt zich de moordenaar op, Om armen en berooiden te doden; En terwijl het nog nacht is, Sluipt hij rond als een dief.
14Il micidiale si leva allo schiarir del dì Uccide il povero, e il bisognoso; E poi la notte opera da ladro.
15Het oog van den overspeler maakt van de schemering gebruik; Hij denkt: Geen oog, dat mij ziet; Hij slaat zich een sluier voor het gezicht,
15Parimente l'occhio dell'adultero osserva la sera, Dicendo: L'occhio di alcuno non mi scorgerà; E si nasconde la faccia.
16En breekt in het donker de huizen in. Maar zij sluiten zich op overdag, En willen van het daglicht niet weten;
16Di notte sconficcano le case, Che si aveano segnate di giorno; Non conoscono la luce,
17Voor hen allen is de morgen als de schaduw des doods, Zodra het licht wordt, overvalt hen de doodschrik!
17Perciocchè la mattina è ad essi tutti ombra di morte; Se alcuno li riconosce, hanno spaventi dell'ombra della morte.
18Die anderen vluchten weg voor de dag Zijn erfdeel ligt vervloekt in het land, Geen druiventreder trekt naar zijn wijnberg;
18Fuggono leggermente, come in su le acque; La lor parte è maledetta nella terra, Non riguardano alla via delle vigne.
19Zoals droogte en hitte het sneeuwwater slurpen, Zo slurpt de onderwereld den zondaar op.
19La secchezza e il caldo involano le acque della neve; Così il sepolcro invola quelli che hanno peccato.
20Door de moederschoot wordt hij vergeten, De wormen smullen van hem; Zijn naam wordt niet langer herdacht, Zijn ongerechtigheid geknakt als een boom.
20La matrice li dimentica, I vermini son loro dolci, Non son più ricordati; Anzi i perversi son rotti come un legno.
21Hij mishandelt de onvruchtbare, haar die niet baart, En behandelt de weduwe niet goed:
21E benchè tormentino la sterile che non partorisce, E non facciano alcun bene alla vedova;
22Maar Hij, die tyrannen verplettert, Zal het wreken door zijn kracht!
22E traggano giù i possenti con la lor forza; E, quando si levano, altri non si assicuri della vita;
23Hij is van zijn leven niet zeker, Gebroken de steun, waarop hij zich stut, En op zijn wegen ellende:
23Pur nondimeno Iddio dà loro a che potersi sicuramente appoggiare, E gli occhi suoi sono sopra le lor vie.
24Een korte tijd rijst hij omhoog, dan is hij niet meer. Hij verdort als een kwijnende plant, Verlept als de top van een aar!
24Per un poco di tempo sono innalzati, poi non son più; Sono abbattuti, e trapassano come tutti gli altri , E son ricisi come la sommità d'una spiga.
25Is het niet waar, wie overtuigt mij van leugen, En wie ontzenuwt mijn betoog?
25Se ora egli non è così , chi mi dimentirà, E metterà al niente il mio ragionamento?
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.