Job 12
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Diodati Bibbia 1885
1Job antwoordde, en sprak:
1E GIOBBE rispose, e disse:
2Ja zeker, gij vertegenwoordigt het volk, En met u sterft de wijsheid uit!
2Sì, veramente voi siete tutt 'un popolo, E la sapienza morrà con voi.
3Ik heb evenveel verstand als gij Wie zou trouwens dit alles niet weten?
3Anch'io ho senno come voi; Io non sono da men di voi; Ed appo cui non sono cotali cose?
4Laat mij de spot zijn van mijn vriend; Ik roep Jahweh aan, Hij zal mij verhoren! Bespotting voor de deugd van de vromen,
4Io son quell'uomo ch'è schernito dal suo amico; Ma un tale invoca Iddio, ed egli gli risponderà; L'uomo giusto ed intiero è schernito.
5Verachting voor de beproefden: denkt het gelukskind, En een trap voor hen, wier voeten wankelen;
5Colui che sta per isdrucciolare col piè, E , per estimazione di chi è felice, un tizzone sprezzato.
6Maar vrede voor de tenten der rovers, Onbezorgdheid voor hen, die God durven tarten, En die God naar hun hand willen zetten!
6I tabernacoli de' ladroni prosperano, E v'è ogni sicurtà per quelli che dispettano Iddio, Nelle cui mani egli fa cadere ciò che desiderano .
7Ondervraag slechts het vee: het zal het u leren; De vogels uit de lucht; zij vertellen het u;
7E in vero, domandane pur le bestie, ed esse tu l 'insegneranno; E gli uccelli del cielo, ed essi te lo dichiareranno;
8Of het kruipend gedierte op aarde: zij zullen het zeggen; De vissen der zee: zij lichten u in.
8Ovvero, ragiona ne con la terra, ed essa te l 'insegnerà; I pesci del mare eziandio te lo racconteranno.
9Wie onder die allen, die het niet weet, Dat de hand van Jahweh dit wrocht!
9Fra tutte queste creature , Quale è quella che non sappia che la mano del Signore fa questo?
10Hij, die iedere levende ziel in zijn hand heeft, En de adem van alle menselijk vlees!
10Nella cui mano è l'anima d'ogni uomo vivente, E lo spirito d'ogni carne umana.
11Of kan het oor geen woorden meer toetsen, Het gehemelte geen spijzen meer proeven;
11L'orecchio non prova egli le parole, Come il palato assapora le vivande?
12Is er geen wijsheid meer bij bejaarden, Op hoge leeftijd geen inzicht?
12Ne' vecchi è la sapienza, E nella grande età è la prudenza.
13Bij Hem is wijsheid en macht, Bij Hem beleid en verstand.
13Appo lui è la sapienza e la forza; A lui appartiene il consiglio e l'intelligenza.
14Haalt Hij omver, men bouwt niet op, Dien Hij kerkert, doet men niet open.
14Ecco, se egli ruina, la cosa non può esser riedificata; Se serra alcuno, non gli può essere aperto.
15Houdt Hij de wateren tegen, ze drogen op; Laat Hij ze los, ze woelen het land om.
15Ecco, se egli rattiene le acque, elle si seccano; E se le lascia scorrere, rivoltano la terra sottosopra.
16Bij Hem is kracht en vernuft, Hem behoort de verleide met den verleider;
16Appo lui è forza e ragione; A lui appartiene chi erra, e chi fa errare.
17Raadsheren laat Hij barrevoets gaan, En rechters maakt Hij tot dwazen;
17Egli ne mena i consiglieri spogliati, E fa impazzare i giudici.
18De boeien der koningen maakt Hij los, En legt een koord om hun eigen heup.
18Egli scioglie il legame dei re, E stringe la cinghia sopra i lor propri lombi.
19De priesters laat Hij barrevoets gaan, En oude geslachten brengt Hij ten val;
19Egli ne mena i rettori spogliati, E sovverte i possenti.
20Aan vertrouwbare mannen ontneemt Hij de spraak, En ontrooft de grijsaards hun oordeel;
20Egli toglie la favella agli eloquenti, E leva il senno a' vecchi.
21Hij stort verachting over edelen uit, En rukt de gordel der machtigen los.
21Egli spande lo sprezzo sopra i nobili, E rallenta la cintura de' possenti.
22-
22Egli rivela le cose profonde, traendole fuor delle tenebre; E mette fuori alla luce l'ombra della morte.
23Hij maakt naties groot, en richt ze ten gronde, Breidt volken uit, en stoot ze neer;
23Egli accresce le nazioni, ed altesì le distrugge; Egli sparge le genti, ed altresì le riduce insieme.
24Hij berooft de vorsten der aarde van hun verstand, En laat ze in de ongebaande wildernis dolen;
24Egli toglie il senno a' capi de' popoli della terra, E li fa andar vagando per luoghi deserti, ove non ha via alcuna.
25Ze tasten in de duisternis rond, zonder licht, Ze waggelen als een dronken man.
25Vanno a tentone per le tenebre, senza luce alcuna: Ed egli li fa andare errando come un uomo ebbro.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.