Job
Chapter 40
Petrus Canisius Bible, 1…
vs Diodati Bibbia 1885
Aa
Text size
Line width
Verse numbers
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Diodati Bibbia 1885
1Nu vervolgde Jahweh tot Job, en sprak:
1E il Signore parlò di nuovo a Giobbe dal turbo, e disse:
2Zal nu de bediller van den Almachtige zwijgen; Of weet de vitter op God hier nog antwoord op?
2Cingiti ora i lombi, come un valente uomo; Io ti farò delle domande, e tu insegnami.
3Maar Job antwoordde Jahweh, en sprak:
3Annullerai tu pure il mio giudicio, E mi condannerai tu per giustificarti?
4Ik ben lichtzinnig geweest: Wat zou ik hierop kunnen zeggen; Ik leg mijn hand op mijn mond.
4Hai tu un braccio simile a quel di Dio? O tuoni tu con la voce come egli?
5Ik heb eens gesproken, maar doe het niet weer; Tweemaal, maar ik begin niet opnieuw!
5Adornati pur di magnificenza e di altezza; E vestiti di maestà e di gloria.
6Maar Jahweh vervolgde, en sprak tot Job in de storm
6Spandi i furori dell'ira tua, E riguarda ogni altiero, ed abbassalo;
7Omgord uw lenden als een man, Ik zal u vragen stellen, gij moogt Mij leren!
7Riguarda ogni altiero, ed atterralo; E trita gli empi, e spronfondali;
8Wilt ge ook nu nog mijn gerechtigheid loochenen, Mij in het ongelijk stellen, om gelijk te hebben?
8Nascondili tutti nella polvere, E tura loro la faccia in grotte;
9Hebt ge dan een arm, zoals God, Kunt ge donderen met een stem als de zijne?
9Allora anch'io ti darò questa lode, Che la tua destra ti può salvare.
10Tooi u dan eens met grootheid en luister, Bekleed u met glorie en majesteit!
10Ecco l'ippopotamo, il quale io ho fatto teco; Egli mangia l'erba come il bue.
11Stort eens uw toorn in stromen uit, En verneder, wat trots is, met uw blik;
11Ecco, la sua forza è ne' lombi, E la sua possa nei muscoli del suo ventre.
12Zie op alle hoogmoedigen neer, en trap ze ineen, Verpletter de bozen terstond;
12Egli rizza la sua coda come un cedro; Ed i nervi delle sue coscie sono intralciati.
13Stop ze allen weg in de grond, Zet ze gevangen in het verborgen oord:
13Le sue ossa son come sbarre di rame, Come mazze di ferro.
14Dan zal Ik de eerste zijn, die u prijst, Omdat het uw rechterhand is, die u helpt!
14Egli è la principale delle opere di Dio; Sol colui che l'ha fatto può accostargli la sua spada.
15Maar zie, daar staat het Nijlpaard, dat Ik heb geschapen, Het vreet gras als een rund.
15Perchè i monti gli producono il pasco, Tutte le bestie della campagna vi scherzano.
16Zie eens, wat kracht in zijn lenden, Wat sterkte in de spieren van zijn buik!
16Egli giace sotto gli alberi ombrosi, In ricetti di canne e di paludi.
17Hij spant zijn staart als een ceder, De spieren van zijn dijen tot een bundel;
17Gli alberi ombrosi lo coprono con l'ombra loro; I salci de' torrenti l'intorniano.
18Zijn schonken zijn koperen buizen, Zijn knoken als ijzeren staven.
18Ecco, egli può far forza ad un fiume, sì che non corra; Egli si fida di potersi attrarre il Giordano nella gola.
19Hij is het meesterwerk van God Gemaakt, om over zijn buurtschap te heersen!
19Prenderallo alcuno alla sua vista? Forera gli egli il naso, per mettervi de' lacci?
20Ja, de bergen brengen hem schatting, Met al het wild, dat daar speelt;
no verse 20 in this text
21Onder de lotus vleit hij zich neer, Verscholen in riet en moeras;
no verse 21 in this text
22Lotusstruiken beschutten hem met hun schaduw, De waterwilgen staan om hem heen;
no verse 22 in this text
23Al raast de stroom, hij is niet bang, Onverschrokken, al stijgt de Jordaan tot zijn muil.
no verse 23 in this text
24Wie durft hem bij zijn ogen grijpen, Zijn neus met harpoenen doorboren!
no verse 24 in this text

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.