Job 40
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Reina-Valera 1909
1Nu vervolgde Jahweh tot Job, en sprak:
1ENTONCES respondió Jehová á Job desde la oscuridad, y dijo:
2Zal nu de bediller van den Almachtige zwijgen; Of weet de vitter op God hier nog antwoord op?
2Cíñete ahora como varón tus lomos; yo te preguntaré, y explícame.
3Maar Job antwoordde Jahweh, en sprak:
3¿Invalidarás tú también mi juicio? ¿me condenarás á mí, para justificarte á ti?
4Ik ben lichtzinnig geweest: Wat zou ik hierop kunnen zeggen; Ik leg mijn hand op mijn mond.
4¿Tienes tú brazo como Dios? ¿y tronarás tú con voz como él?
5Ik heb eens gesproken, maar doe het niet weer; Tweemaal, maar ik begin niet opnieuw!
5Atavíate ahora de majestad y de alteza: y vístete de honra y de hermosura.
6Maar Jahweh vervolgde, en sprak tot Job in de storm
6Esparce furores de tu ira: y mira á todo soberbio, y abátelo.
7Omgord uw lenden als een man, Ik zal u vragen stellen, gij moogt Mij leren!
7Mira á todo soberbio, y humíllalo, y quebranta á los impíos en su asiento.
8Wilt ge ook nu nog mijn gerechtigheid loochenen, Mij in het ongelijk stellen, om gelijk te hebben?
8Encúbrelos á todos en el polvo, venda sus rostros en la oscuridad;
9Hebt ge dan een arm, zoals God, Kunt ge donderen met een stem als de zijne?
9Y yo también te confesaré que podrá salvarte tu diestra.
10Tooi u dan eens met grootheid en luister, Bekleed u met glorie en majesteit!
10He aquí ahora behemoth, al cual yo hice contigo; hierba come como buey.
11Stort eens uw toorn in stromen uit, En verneder, wat trots is, met uw blik;
11He aquí ahora que su fuerza está en sus lomos, y su fortaleza en el ombligo de su vientre.
12Zie op alle hoogmoedigen neer, en trap ze ineen, Verpletter de bozen terstond;
12Su cola mueve como un cedro, y los nervios de sus genitales son entretejidos.
13Stop ze allen weg in de grond, Zet ze gevangen in het verborgen oord:
13Sus huesos son fuertes como bronce, y sus miembros como barras de hierro.
14Dan zal Ik de eerste zijn, die u prijst, Omdat het uw rechterhand is, die u helpt!
14El es la cabeza de los caminos de Dios: el que lo hizo, puede hacer que su cuchillo á él se acerque.
15Maar zie, daar staat het Nijlpaard, dat Ik heb geschapen, Het vreet gras als een rund.
15Ciertamente los montes producen hierba para él: y toda bestia del campo retoza allá.
16Zie eens, wat kracht in zijn lenden, Wat sterkte in de spieren van zijn buik!
16Echaráse debajo de las sombras, en lo oculto de las cañas, y de los lugares húmedos.
17Hij spant zijn staart als een ceder, De spieren van zijn dijen tot een bundel;
17Los árboles sombríos lo cubren con su sombra; los sauces del arroyo lo cercan.
18Zijn schonken zijn koperen buizen, Zijn knoken als ijzeren staven.
18He aquí que él tomará el río sin inmutarse: y confíase que el Jordán pasará por su boca.
19Hij is het meesterwerk van God Gemaakt, om over zijn buurtschap te heersen!
19¿Tomarálo alguno por sus ojos en armadijos, y horadará su nariz?
20Ja, de bergen brengen hem schatting, Met al het wild, dat daar speelt;
no verse 20 in this text
21Onder de lotus vleit hij zich neer, Verscholen in riet en moeras;
no verse 21 in this text
22Lotusstruiken beschutten hem met hun schaduw, De waterwilgen staan om hem heen;
no verse 22 in this text
23Al raast de stroom, hij is niet bang, Onverschrokken, al stijgt de Jordaan tot zijn muil.
no verse 23 in this text
24Wie durft hem bij zijn ogen grijpen, Zijn neus met harpoenen doorboren!
no verse 24 in this text
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.