Job
Chapter 5
Petrus Canisius Bible, 1…
vs Reina-Valera 1909
Aa
Text size
Line width
Verse numbers
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Reina-Valera 1909
1Roep maar: er is niemand, die u antwoord geeft; Tot wien van de heiligen wilt ge u wenden?
1AHORA pues da voces, si habrá quien te responda; ¿y á cuál de los santos te volverás?
2Het is dus de wrevel, die den dwaas vermoordt, De gramschap doodt dus den zot.
2Es cierto que al necio la ira lo mata, y al codicioso consume la envidia.
3Ik heb den dwaas wel wortel zien schieten, Maar plotseling verrotte zijn akker;
3Yo he visto al necio que echaba raíces, y en la misma hora maldije su habitación.
4Zijn kinderen werden van hulp verstoken, Reddeloos vertrapt in de poort;
4Sus hijos estarán lejos de la salud, y en la puerta serán quebrantados, y no habrá quien los libre.
5Wat zij hebben geoogst, eet een hongerige op, En de dorstige rooft en drinkt de melk van hun kudde
5Su mies comerán los hambrientos, y sacaránla de entre las espinas, y los sedientos beberán su hacienda.
6Want het kwaad schiet niet op uit het stof, En de rampspoed ontspruit uit de aarde niet:
6Porque la iniquidad no sale del polvo, ni la molestia brota de la tierra.
7Maar het is de mens, die zichzelf de rampspoed verwekt, Zoals de vonken naar boven spatten!
7Empero como las centellas se levantan para volar por el aire , así el hombre nace para la aflicción.
8Ik, ik wend mij tot God, En leg mijn zaak aan de Godheid voor:
8Ciertamente yo buscaría á Dios, y depositaría en él mis negocios:
9Hij, die grootse en ondoorgrondelijke dingen wrocht En ontelbare wonderen;
9El cual hace cosas grandes é inescrutables, y maravillas que no tienen cuento:
10Die regen over de aarde zendt, En water over de velden giet;
10Que da la lluvia sobre la haz de la tierra, y envía las aguas por los campos:
11Die de nederigen op de hoogte verheft, En treurenden het hoogste geluk doet smaken.
11Que pone los humildes en altura, y los enlutados son levantados á salud:
12Die de plannen der sluwen verijdelt, Zodat hun handen de ontwerpen niet ten uitvoer brengen;
12Que frustra los pensamientos de los astutos, para que sus manos no hagan nada:
13Die de wijzen vangt in hun eigen list, Zodat de toeleg der slimmen mislukt,
13Que prende á los sabios en la astucia de ellos, y el consejo de los perversos es entontecido;
14En midden op de dag zij op duisternis stuiten, En rondtasten op klaarlichte dag, zoals in de nacht;
14De día se topan con tinieblas, y en mitad del día andan á tientas como de noche:
15Maar die de geplaagden redt uit hun hand, Den arme uit de greep van den sterke:
15Y libra de la espada al pobre, de la boca de los impíos, y de la mano violenta;
16Zodat er weer hoop voor den zwakke is, En het onrecht de mond sluit.
16Pues es esperanza al menesteroso, y la iniquidad cerrará su boca.
17Gelukkig, gij mens, dien God kastijdt: Versmaad dus de straf van den Almachtige niet!
17He aquí, bienaventurado es el hombre á quien Dios castiga: por tanto no menosprecies la corrección del Todopoderoso.
18Want Hij wondt, maar verbindt, Hij kwetst, maar zijn handen genezen.
18Porque él es el que hace la llaga, y él la vendará: él hiere, y sus manos curan.
19Uit zes noden zal Hij u redden, En in de zevende treft u geen kwaad:
19En seis tribulaciones te librará, y en la séptima no te tocará el mal.
20In hongersnood redt Hij u van de dood, In de oorlog uit de greep van het zwaard;
20En el hambre te redimirá de la muerte, y en la guerra de las manos de la espada.
21Gij zijt veilig voor de gesel der tong, Zonder vrees voor het dreigend geweld.
21Del azote de la lengua serás encubierto; ni temerás de la destrucción cuando viniere.
22Met geweld en gebrek zult ge lachen, Voor wilde beesten niet vrezen:
22De la destrucción y del hambre te reirás, y no temerás de las bestias del campo:
23Want ge hebt een verbond met de stenen op het veld, En het wild gedierte leeft in vriendschap met u
23Pues aun con las piedras del campo tendrás tu concierto, y las bestias del campo te serán pacíficas.
24Dan weet ge, dat uw tent in vrede is, Ge niets vermist, als ge uw woning doorzoekt;
24Y sabrás que hay paz en tu tienda; y visitarás tu morada, y no pecarás.
25Dan weet ge, dat uw nageslacht talrijk zal zijn, Uw spruiten als het gras op het veld.
25Asimismo echarás de ver que tu simiente es mucha, y tu prole como la hierba de la tierra.
26Eerst in uw ouderdom daalt ge ten grave, Zoals de schoof wordt binnengehaald, als het tijd is!
26Y vendrás en la vejez á la sepultura, como el montón de trigo que se coge á su tiempo.
27Zie, dit hebben we nagespeurd, en zó is het; Luister er naar, en neem het ter harte!
27He aquí lo que hemos inquirido, lo cual es así: óyelo, y juzga tú para contigo.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.